Nederlandse letterkunde: een zonnige toekomst

Door Mathijs Sanders

Laat ik maar bekennen dat de lof die Bram Lambrecht mijn boek Europese papieren toezwaait in zijn recensie voor het tijdschrift Internationale Neerlandistiek (2019-2) mij niet onbewogen laat. De bespreking verwoordt precies wat ik met dat boek beoogde, namelijk het leveren van een bijdrage aan de het onderzoek binnen ons vakgebied naar de internationale dimensies van literatuur in Nederland en ‘meer mensen warm [te] maken voor ons werk’ (vooral die eerste persoon meervoud in de recensie bevalt mij zeer). ‘Het [boek] zet radicaal en systematisch in op een transnationale neerlandistiek en bewijst dat een dergelijke werkwijze tot nieuwe inzichten leidt.’

In hetzelfde nummer van Internationale Neerlandistiek staat een prikkelend tentatief artikel van Ralf Grüttemeier over ‘de zes inaugurele redes van de op dit moment in functie zijnde hoogleraren in Nederland met Moderne Nederlandse literatuur in hun leeropdracht’, waarin hij de modellen en praktijken van kennisproductie die aan deze oraties ten grondslag liggen achterhaalt en interpreteert en kanttekeningen plaatst bij de individuele distinctie- en innovatiedrift van wetenschappers. Het artikel verwoordt goed wat ik ook wilde met mijn oratie ‘Het land dat ons wacht’: onderzoek presenteren dat ‘deel uitmaakt van een gemeenschappelijke accumulerende verwerving van kennis binnen de discipline’.

Aan de vooravond van het nieuwe academische jaar wens ik dat wij letterkundigen in gemeenschappelijkheid opnieuw met hoofd en hart laten zien wat wij doen, voor wie en waarom, in de hoop dat – zoals Max Weber in 1917 schreef in zijn prachtige ‘Wissenschaft als Beruf’ – zij die na ons komen het beter zullen doen dan wij.