Hoeveel voorzetselvoorwerpen kan een zin aan?

Door Marc van Oostendorp

In het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde (hoera! er is een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde! zingen we bij mij thuis in koor als er een nieuw nummer van Nederlandse Taalkunde verschijnt) staat een interessante discussie tussen Ina Schermer-Vermeer en Hans Broekhuis over een vraag waarvan waarschijnlijk weinig mensen beseffen dat hij nog lang niet is opgelost: hoeveel voorzetselvoorwerpen kunnen er in een zin staan?

Het voorzetselvoorwerp is in de traditionele zinsontleding natuurlijk sowieso een problematische categorie. Wie herinnert zich niet de worstelingen op de basisschool over de vraag of een bepaalde voorzetselgroep nu een bijwoordelijke bepaling was of toch een voorzetselvoorwerp. Schermer-Vermeer en Broekhuis laten zien dat die worsteling tot op de dag van vandaag en tot in de toppen van de taalwetenschap door kan gaan.

Een centrale plaats in de discussie speelt de volgende zin, door Schermer-Vermeer ingebracht:

  • Jan discussieerde met zijn collega over het werk

Verdeeld

Iedereen is het erover eens dat over het werk in deze zin een voorzetselvoorwerp is. Schermer-Vermeer denkt – in navolging van vooral de Vlaamse taalkundige Willy Vandeweghe – dat ‘met zijn collega’ daarnaast óók een voorzetselvoorwerp is zodat deze zin er twee heeft, maar Broekhuis denkt dat het een bepaling is. Sterker nog, Broekhuis denkt dat in het algemeen een werkwoord hooguit één voorzetselvoorwerp kan hebben.

Op de achtergrond bij dit alles torent de majestueuze twintigste-eeuwse syntaktikus P.C. Paardekooper. Die bedacht ’n kriterium voor voorzetselvoorwerpen dat nog vaak als hét kriterium wordt gezien: je kunt een voorzetselvoorwerp vervangen door ’n voornaamwoordelijk bijwoord en ’n bijzin. Nu kan dat in onze zin wel met over ’t werk, maar niet met met z’n kollega’s:

  • Jan discussieerde er met zijn collega over hoe het werk verdeeld moest worden.
  • Jan discussieerde ermee over het werk dat zijn collega [ongrammaticaal]

Vooropgeplaatst

Als je Paardekoopers criterium hanteert, zijn er inderdaad geen Nederlandse zinnen met twee voorzetselvoorwerpen. Schermer-Vermeer denkt dat die voorwaarde alleen als geldt voor ‘eerstegraads’-voorzetselvoorwerpen. Daarnaast zijn er ook ‘tweedegraads’-voorzetselvoorwerpen, en daar is met zijn collega’s er één van.

De twee kampen zijn het dus niet eens over de bruikbaarheid van Paardekooper. Ze grijpen in hun artikelen ieder naar andere criteria. Een ervan heeft te maken met samen met. De meeste syntactici gaan ervan uit dat een voorzetselvoorwerp niet kan worden uitgebreid met een vooropgeplaatst bijwoord zoals samen. Je kunt bijvoorbeeld niet zeggen Ik trouw morgen samen met mijn man, waarbij met mijn man voor iedere grammaticus een voorzetselvoorwerp is.

Telefoonlijn

Volgens Broekhuis kan dat wel in onze zin:

  • Jan discussieerde samen met zijn collega over het werk.

Die zin betekent volgens Broekhuis hetzelfde als de oorspronkelijke zin, maar Schermer-Vermeer betwist dat. Het verschil is heel subtiel, geeft ze toe, maar het wordt duidelijker als we paren als de volgende vergelijken:

  • Was je met je vrouw over onze afspraak aan het bellen?
  • Was je samen met je vrouw over onze afspraak aan het bellen?

Wanneer je alleen met een collega in een treincoupé zit, en deze beëindigt zijn gesprek, kun je wel de eerste vraag stellen. De tweede is in die context gek, hij suggereert dat jij en je vrouw niet aan verschillende kanten van de telefoonlijn zaten.

Scheiden

Omdat ze vindt dat met zijn collega’s niet precies hetzelfde betekent als samen met zijn collega’s, wijst Schermer-Vermeer dus Broekhuis’ argument af dat dit laat zien dat met zijn collega’s in de oorspronkelijke zin geen voorzetselvoorwerp is. Maar Broekhuis, die deze redenering aanvaardt, merkt dan weer, terecht op, dat het ook niet laat zien dat het wél een voorzetselvoorwerp is.

Broekhuis gebruikt zelf dan juist weer een heel ander criterium: de en-doet-dat-toets. Voorzetselvoorwerpen kun je niet met een en doet dat-zinnetje scheiden van hun werkwoord, maar bepalingen wel:

  • Jan wacht op het station. [bepaling]
  • Jan wacht en doet dat op het station. [goede zin]
  • Jan wacht op zijn vriendin. [voorzetselvoorwerp]
  • Jan wacht en doet dat op zijn vriendin. [ongrammaticale zin]

Over het werk

Voorzetselvoorwerpen hebben dit gemeen met alle andere voorwerpen:

  • Jan eet en doet dat een broodje. [lijdend voorwerp, ongrammaticaal]
  • Jan geeft een boek en doet dat aan zijn vriendin. [meewerkend voorwerp, ongrammaticaal]

In de oorspronkelijke zijn kan met zijn collega wel degelijk gesplitst worden:

  • Jan discussieerde over het werk en deed dat met zijn collega.

Met zijn collega is dus op deze manier gezien geen voorzetselvoorwerp. (Wat geen van beide auteurs opmerkt is dat over het werk dan ook geen voorzetselvoorwerp is, want je kunt ook zeggen Jan discussieerde met zijn collega en deed dat over het werk.)

Simpele bepaling

Het verschil tussen beide auteurs zit er dus vooral in dat ze verschillende criteria en toetsen voor het voorzetselvoorwerpschap anders evalueren. Mijn conclusie zou dan zijn: ze hebben dus verschillende definities van wat een voorzetselvoorwerp is, en de discussie is puur terminologisch. Mij lijkt daarmee die hele term voorzetselvoorwerp eigenlijk onbruikbaar. Op de keper beschouwd zijn beide auteurs het erover eens dat voorzetselgroepen op verschillende manieren bij het werkwoord kunnen horen en dat er daarin meer smaken zijn dan de striktste vorm van voorzetselvoorwerp en een simpele bepaling.

Er zitten een aantal categorieën tussen. Hoe je die precies moet noemen is een worsteling voor het basisonderwijs, en eigenlijk niet voor briljante syntactici als Schermer-Vermeer en Broekhuis. Hun beider aanpak is daar te subtiel voor.