Gedicht: Janus Secundus • De elfde kus

Janus Secundus schreef in het Latijn en is vertaald door (i.i.g.) J.H. Scheltema en (een eeuw later) J.P. Guépin.

De elfde kus

Ze zeggen dat we te verfijnde kussen geven
die ’t kranig voorgeslacht bepaald niet had geleerd.
Zou ik, als om jouw hals mijn grage armen kleven
en mij, mijn Licht, jouw kus tot stervens toe blesseert,
bezorgd zijn om het kwaad dat mensen van mij zeggen,
ik die, ‘wie ben ik, waar ben ik’, verbijsterd vraag?
Neaera hoorde het, ze lachte en verlegde
haar handen om mijn nek van boven naar omlaag.
Ze gaf een zoen, zo ongelofelijk wellustig,
als Mars (haar minnaar) nooit van Venus had gekend.
‘Vergeet het oordeel’, zei ze, ‘van die troep maar rustig,
alleen mijn rechtbank is in dezen competent.’

Janus Secundus (1511-1536)
vertaling (1997): J.P. Guépin (1929-2006)

Elfde Kusje

Al te weeldrige kusjes zou, naar men zegt, ik u schenken,
Gelijk door de achtb’re vad’ren ons niet is geleerd.
Dus zou ik, wanneer ik verlangend uw hals met mijne armen
Omstrengel en door uw’ kusjes, mijn liefje, bezwijm,
Angstig gaan onderzoeken, hoe zooveel and’ren dit vinden?
Ik weet dan nauwelijks, wie ik of waar ik toch ben.
Toen Neaera dit hoorde, lachte ze vriendelijk en vatte
Nu hier dan daar met haar poezelig handje mijn hals;
’n Kusje mocht ik van haar ontvangen, zoo dartel als immer
De schoone Cyprische liefkozend aan Mars heeft gegund;
Ei zoo, sprak ze, wat vreest ge ’t oordeel der strenge bedillers?
De pleitzaak kan slechts voor mijn’ rechtbank worden beslecht.

Vertaling (1902): J.H. Scheltema (1829-1909)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.