Erotiek in de middeleeuwen

Door Jos Houtsma

De populairwetenschappelijke literatuur van de middeleeuwen heeft nog niet bij benadering de belangstelling waar hij recht op heeft. Een fraai voorbeeld is het gedicht over Der vrouwen heimelijcheit, over “De intimiteit van de vrouw”, een veertiende-eeuwse tekst van 1785 dichtregels. Onder anderen Orlanda Lie en Willem Kuiper hebben over dit gedicht behartigenswaardigs geschreven. Ook het artikel in Wikipedia is informatief. En Remco Sleiderink bracht het nog onlangs ter sprake in een radio-interview over een sprekende vagina

In Der vrouwen heimelijcheit wordt – op een typisch middeleeuwse manier, met veel aanhalingen van soms raar  gespelde autoriteiten – een keur van (vooral) gynaecologische wetenswaardigheden opgedist. De tekst is gelardeerd met 23 amoureuze intermezzo’s: lyrische ontboezemingen, die tezamen het verhaal vormen van een liefdesaffaire die na te zijn gedwarsboomd uiteindelijk een bekroning vindt: 

Goddanc, zij heeft mi ghetroest, 
die ic ghemint hebbe met trouwen (1672,73). 

De naam  van de auteur van het gedicht is ons niet overgeleverd; die van de geliefde kennelijk wel: de eerste regels van de passages na de amoureuze intermezzo’s vormen samen de naam van Margarhta Godevartse wt Udim (sic)

Amoureuze intermezzo’s in teksten zijn niet heel gewoon, maar ze komen vaker voor. Bekende voorbeelden zijn de Oudfranse romans Partonopeu de Blois en Le Bel Inconnu. Ook in de Middelnederlandse vertaling van de Partonopeu en in de Roman van Heinric en Margriete van Limborch komen passages voor waar de auteur poseert als minnaar. Als we ze tegenkomen, is meestal aannemelijk dat we te maken hebben met een literaire conventie. Bij Der vrouwen heimelijcheit lijken we echter de werkelijkheid wel heel dicht op de huid te zitten: de onbekende auteur noemt niet alleen zijn aanbedene, hij draagt zijn werkstuk aan haar op, en spreekt haar, als hij na een amoureus tussenspel de draad van zijn betoog weer oppakt, op niet minder dan tien plaatsen aan. Hij vraagt haar genade (Maer eer ic iet daer af beghinne /  willic der liever  die ic minne / oetmoedelike bidden ghenade  – regels 124-126); hij vraagt haar toestemming om verder te gaan met zijn betoog (Raetdijt, lief, so seggic voert / des ghi noch niet en hebt ghehoert  – regel 259, 60); enzovoort. 

Eén keer gaat hij zelfs zover dat hij de geliefde om discretie vraagt: 

Oec biddic miere liever joncfrouwen 
dat sijt niemanne en laete scouwen [t.w. de voorgaande passage].
Ic hebt ghedicht met goeder trouwen,
toet hier, ende voert sal  met goeder trouwen (952-955). 

De wetenswaardigheden die in Der vrouwen heimelijcheit de revue passeren zijn divers: vrouwelijke anatomie, menstruatie, seksualiteit, voortplanting, zwangerschap, geboorte, vrouwenkwalen, recepten en remedies – onderdeel van het gedicht is zelfs een beknopt handboek voor vroedvrouwen: hoe interessant zou het niet zijn eens te horen hoe er door hedendaagse verloskundigen tegen deze veertiende-eeuwse praktijkkennis wordt aangekeken!

In dit stukje nodig ik – met mijn verwaarloosbare kennis op al de hiervoor genoemde gebieden – de lezer uit even met mij te kijken naar het slot van Der vrouwen heimelijcheit.

In regel 1754 kondigt de dichter aan dat hij er nu langzamerhand een eind aan moet maken. “Maar eerst wil hij zijn lief nog iets uitleggen over sperma”: 

Mi dunct, ic soude saen gaen ten einde waert, 
haddic haer nog een deel verclaert 
van sperma, smans sade.

Volgt een beknopt spermatologisch traktaat. 

Waarna hij vanaf 1777 komt met een slotakkoord dat nogal verrassend lijkt: 

Wet oec wel dat men vint bescreven
dat dat wijf wel ontfaet kint,
nochtan dat sij en hevet twint
lost te mannen waert.
Daeromme seit Rasis onghespaert
dat men spelen zal met wiven,
ende lost van ghenoetene driven
eer men iet ghenoet met haere.
Dat seggic u al overwaere.

Er zit in deze tekst een merkwaardige draai. In de  eerste vier regels zegt de dichter dat een vrouw een kind kan krijgen, ook al beleeft ze helemaal geen zin in een man [sij en hevet twint lost te mannen waert]. Hij lijkt te bedoelen dat het plezier van de vrouw er niet toe doet. Maar in de volgende regels blijkt dat dat helemaal niet de bedoeling is. De dichter wil zeggen dat de geliefde misschien eerst niet zoveel zin heeft, maar dat haar partner dan gewoon lief moet zijn: “Rasis zegt immers heel duidelijk dat je voor je gemeenschap hebt” [eer men iet genoet met haere] “het liefdesspel moet bedrijven, zodat de vrouwelijke partner in een stemming raakt waarin de voortplanting zijn beslag kan krijgen.” We hebben het over erotiek

Is deze tekst nog steeds tot de geliefde gericht, of verraadt zich hier dat het beoogde publiek van Der vrouwen heimelijcheit toch eerder tot de mannelijke sekse hoorde? In ieder geval hebben we kunnen vaststellen dat onze middeleeuwse voorouders geen barbaren waren, maar niet minder dan wij zochten naar een humane omgang met gevoelens. 

Of gaat het toch alleen om bevordering  van het voortplantingssucces?