Call for abstracts: themanummer ‘Als we elkaar maar verstaan: spraakverstaanbaarheid en communicatie in het Nederlands als tweede taal’

Graag nodigen we u uit om een voorstel in te dienen voor een bijdrage aan een themanummer over  ‘spraakverstaanbaarheid en communicatie in het Nederlands als tweede/vreemde taal’. We beogen een themanummer dat in 2021 in het tijdschrift Nederlandse Taalkunde zal verschijnen. 

Gastredactie: Chloé Lybaert, Ellen Simon & Mathijs Debaene. De gastredacteurs werken alle drie als onderzoekers aan de Universiteit Gent, Vakgroep Vertalen, Tolken & Communicatie, en zijn verbonden aan de het onderzoekscentrum MULTIPLES (Research Centre for Multilingual Practices and Language Learning in Society).

Thema

Variatie in taal is van alle tijden en kan verschillende vormen aannemen: terwijl het Nederlandse taalgebied vroeger gekenmerkt werd door een uitzonderlijk sterke dialectdiversiteit (Devos 2000), zien we de laatste decennia variatie die het gevolg is van nieuwe communicatievormen (bijvoorbeeld via sociale media, zie De Decker 2014) en toegenomen (inter)nationale mobiliteit en taalcontact (Jaspers 2009). Die variatie blijft in Vlaanderen en Nederland niet beperkt tot variatie binnen het Nederlands (endogene variatie); het Nederlands komt ook in contact met andere talen, via meertalige en anderstalige sprekers (exogene variatie). Tot op zekere hoogte kunnen taalgebruikers goed omgaan met variatie, en is het een middel om hun identiteit uit te drukken (Delarue & Lybaert 2016), maar toch kan variatie binnen een taal ook een uitdaging vormen voor de communicatie (Lybaert & van Hest ingediend), in het bijzonder wanneer de verstaanbaarheid in het gedrang komt. 

In het voorgestelde themanummer willen we licht werpen op endogene en exogene variatie in het Nederlandse taalgebied en de invloed van die variatie op de verstaanbaarheid. Meer in het bijzonder willen we de tweede/vreemdetaalleerder van het Nederlands daarbij centraal stellen: hoe verstaanbaar is het Nederlands van moedertaalsprekers van het Nederlands voor de anderstalige leerder, en vice versa. Verstaanbaarheid wordt daarbij ruim opgevat, en speelt zich af op verschillende niveaus: van het fonetische (de bedoelde segmenten en woordvormen percipiëren) tot het pragmatische (de bedoelde boodschap verstaan). Bovendien zien we verstaanbaarheid als een gedeelde verantwoordelijkheid van de spreker en de luisteraar, en spelen de percepties en attitudes van de luisteraar ook een belangrijke rol in de communicatie. Het is bekend dat taalgebruikers in principe goed kunnen omgaan met variatie binnen hun moedertaal: dankzij een proces van ‘perceptual adaptation’ of ‘perceptual learning’ (Sjerps 2011; Burgos 2018) passen luisteraars zich aan de variëteit van de spreker aan. Wat echter ook een belangrijke rol speelt, is de attitude van de luisteraar tegenover anderstalige spraak: eerder onderzoek heeft uitgewezen dat verstaanbaarheid en ‘vreemd accent’ niet noodzakelijk aan elkaar gelinkt zijn (Derwing & Munro 1997; Witteman, Weber & McQueen 2011) en dat attitudes tegenover het Nederlands van anderstaligen niet altijd positief zijn (Catelyn 2015).

We staan open voor bijdragen met een invalshoek vanuit verschillende disciplines. We denken daarbij in eerste instantie aan taalkundige bijdragen met een pedagogische, logopedische of sociologische invalshoek. Zowel studies met een kwalitatieve als met een kwantitatieve methodologie zijn welkom. Volgende vragen kunnen aan bod komen in het voorgestelde nummer:

  • Hoe wordt verstaanbaarheid geconceptualiseerd in verschillende onderzoekstradities en -disciplines?
  • Welke invloed heeft een regionaal, sociaal of vreemd accent op spraakverstaanbaarheid? In welke gevallen vormt verstaanbaarheid een reële hindernis voor de communicatie en wanneer wordt het geproblematiseerd?
  • Welke kwalitatieve en kwantitatieve methodes kunnen we gebruiken om verstaanbaarheid te onderzoeken, te meten of te testen?
  • In welke omstandigheden vormen interacties tussen moedertaalsprekers van het Nederlands en anderstalige sprekers een uitdaging?
  • In welke mate vormt variatie binnen het Nederlands een uitdaging voor de communicatie met anderstaligen?
  • Welke factoren belemmeren potentieel de verstaanbaarheid bij meertalige/anderstalige sprekers?
  • Welke strategieën blijken anderstaligen te gebruiken om communicatieproblemen op te lossen of te voorkomen?
  • Kan didactisch materiaal voor anderstaligen inspelen op het verloop van interacties?
  • Wanneer is een verminderde spraakverstaanbaarheid het gevolg van meertaligheid en wanneer is ze het gevolg van spraakstoornissen?

Hoe verhoudt het Nederlands zich tot andere talen in de mate waarin variatie een potentiële hindernis vormt in de communicatie tussen moedertaalsprekers en anderstaligen?

Nederlandse Taalkunde

De lijst met auteurs en abstracts zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan de redactie van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde. Nederlandse Taalkunde is een peer-reviewed tijdschrift dat originele bijdragen publiceert aan de wetenschappelijke studie van de Nederlandse taal in de ruimste zin van het woord. Nederlandse Taalkunde streeft ernaar bijdragen te publiceren vanuit zoveel mogelijk verschillende vakgebieden van de Nederlandse taalkunde en vanuit zoveel mogelijk verschillende benaderingen binnen die vakgebieden. Bijdragen kunnen in het Engels of het Nederlands geschreven zijn. Alle artikelen worden onderworpen aan een peer-reviewproces (zie de website). 

Interesse? 

Geïnteresseerden sturen tegen uiterlijk 15 september 2019 een abstract van 200-300 woorden (excl. referenties) met een korte schets van het thema, de onderzoeksvraag en de methodologie. Ten laatste op 7 oktober verneemt u of uw bijdrage in het voorstel van het themanummer kan worden opgenomen.  Vermeld in het document ook de namen en affiliaties van de auteurs. Op basis van de voorstellen zal de gastredactie vervolgens een themanummer samenstellen. De uiteindelijke teksten worden dan verwacht tegen mei 2020 waarna ze de normale reviewprocedure volgen.

Voor verdere vragen en het indienen van abstracts kunt u terecht bij themanummerNT2@ugent.be.

Referenties

Burgos, P. (2018). Non-native pronunciation: patterns of learner variation in Spanish-accented Dutch. Radboud Universiteit: LOT Dissertations.

Catelyn, E. (2015). Het Nederlands van Turkse Gentenaars. Een perceptie- en attitudeonderzoek naar exogene taalvariatie bij Gentse jongeren. Universiteit Gent: ongepubliceerde masterproef.

De Decker, B. (2014). De chattaal van Vlaamse tieners: een taalgeografische analyse van Vlaamse (sub)standaardiseringsprocessen tegen de achtergrond van de internationale chatcultuur. Universiteit Gent: ongepubliceerd proefschrift.   

Delarue, S. & C. Lybaert (2016). The Discursive Construction of Teacher Identities: Flemish Teachers’ Perceptions of Standard Dutch. Journal of Germanic Linguistics 28(3), 219-265.

Devos, M. (2000). Taalsituatie en taalontwikkeling in Vlaanderen. Wetenschappelijke nascholing Rijksuniversiteit Gent. Gent: Academia Press, 1-12.

Derwing, T. M., & M.J. Munro (1997). Accent, intelligibility, and comprehensibility: Evidence from four L1s. Studies in Second Language Acquisition, 19, 1-16.

Jaspers, J. (red.) (2009). De klank van de stad: stedelijke meertaligheid en interculturele communicatie. Leuven: Acco.

Lybaert, C. & E. van Hest (ingediend). Standaardnederlands, de sleutel tot integratie in Vlaanderen? Over de uitdagingen van substandaardtaal voor taalleerders in Vlaanderen. Nederlandse Taalkunde.

Sjerps, M.J. (2011). Adjusting to different speakers: Extrinsic normalization in vowel perception. Universiteit Nijmegen: ongepubliceerd proefschrift. 

Witteman, M. J., A. Weber & J.M. McQueen (2011). On the relationship between perceived accentedness, acoustic similarity, and processing difficulty in foreign-accented speech. Proceedings of the 12th Annual Conference of the International Speech Communication Association (Interspeech 2011), Florence, Italy, 2229-2232.

Dit bericht is geplaatst in call met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter