Het Nedersaksisch is een illusie

Door Marc van Oostendorp

Soms kan politiek pragmatisme leiden tot een nieuw geleerd handboek. Ik geloof dat dit aan de hand is met Nedersaksisch in een notendop dat vandaag verschijnt. Het Nedersaksisch is eigenlijk niet een goed afgebakend begrip en wetenschappelijk maar heel beperkt bruikbaar. Dat geleerden er nu boeken over schrijven, hebben we geloof ik vooral te danken aan Johan Remkes en Henk Kamp.

Die twee politici zetten zich in de jaren negentig in voor de politieke erkenning van dat ‘Nedersaksisch’, als de ‘taal’ die gesproken zou worden in de noord-oostelijke provincies van Nederland, ruwweg in de driehoek Groningen-De Veluwe-De Achterhoek. Die erkenning kwam er, al betekende dat tot frustratie van de activisten nog steeds niet dat de Nederlandse overheid ook geld wilde uitgeven aan deze ‘taal’.

De taal bestaat vooral uit een verzameling dialecten. De activisten beweren dat deze anders zijn dan het Nederlands en bovendien veel met elkaar gemeen hebben. Ze zouden allemaal afkomstig zijn van het Oudsaksisch. Maar wetenschappelijk is dan de vraag: waarom zou je deze dialecten samennemen en de in Duitsland, of zelfs in Engeland (Angelsaksen, weet u wel) gesproken dialecten eruit laten. Het antwoord op deze vraag is: omdat dit gaat om ‘Saksische’ dialecten die in Nederland gesproken worden.

Self-fulfilling prophecy

Het hinken op twee gedachten zit al in de naam van de taal: Neder verwijst naar de door de toevallige internationale politiek bepaalde landsgrenzen, Saksisch naar een mythe van oeroude wortels die over die grenzen heen reiken. Dat het verhaal over die duidelijke afbakening van Germaanse stammen al lang achterhaald is, dat het Nedersaksisch minstens even Nederlands is als Saksisch, dat alles moet je even vergeten.

Politiek was het een handige zet: je kon zo een groep dialecten gezamenlijk laten optrekken en zo iets bereiken wat het Drents of het Sallands op hun eentje nooit was gelukt. Maar het is de vraag of dit dan ook wetenschappelijk meteen wat moet betekenen.

Nu kun je zeggen dat iedere taal willekeurig is afgebakend. Dat dit weblog Neerlandistiek heet en niet Germanistiek is óók maar het gevolg van allerlei politieke ontwikkelingen die er toe hebben geleid dat de Lage Landen niet bij het Duitse rijk zijn ingelijfd. Dat waren politieke ontwikkelingen die niet taalkundig bepaald waren. Alleen is de fictie van het Nederlands in de loop van de tijd een eigen leven gaan leiden. Doordat allerlei mensen zijn gaan geloven dat het Nederlands een aparte taal was, zijn ze grammatica’s en woordenboeken gaan schrijven, hebben ze elkaar ‘standaard-Nederlands’ aangeleerd, en is er het idee ontstaan dat er een Nederlands bestaat. Mutatis mutandis geldt dit in Nederland verder alleen voor het Fries.

En zo is iedere taal een self-fulfilling prophecy. Als genoeg mensen erin geloven, bestaat het.

Onbruikbaar

Als je echter één conclusie kunt trekken uit het vandaag te verschijnen handboek Nedersaksisch in een notendop, is het dat er behalve de politiek activisten weinig mensen zijn die geloven in de fictie van het Nedersaksisch. Het hele boek door wordt er steeds weer onderscheid gemaakt tussen het Gronings, het Drents, het Stellingwerfs, het Veluws, enzovoort, of het nu gaat om de grammatica of om de ‘letterkunde’. Met name als het gaat om het laatste onderwerp is tamelijk evident dat er helemaal geen Nedersaksische literatuur bestaat: er zijn alleen mensen die in hun eigen dialect schrijven, maar die heb je overal elders ook, en het is helemaal niet duidelijk dat een dialectschrijver uit de Achterhoek zich nu meer aantrekt van wat er in Twente gebeurt dan wat er in Noord-Limburg gebeurt.

Het misverstand doortrekt het hele handboek, en wordt in zekere zin nog versterkt doordat de auteurs zich af en toe aangetrokken voelen tot een individualistische visie op het taalsysteem: een taal zit in het hoofd van de spreker. Ze worden daarom geacht om te spreken over ‘de spreker van het Nedersaksisch’, terwijl zo’n spreker in geen velden of wegen te bekennen is. Niemand beschouwt zichzelf als zodanig, zelfs vermoedelijk de activisten niet. (Wat dat betreft heeft die ándere erkende streektaal het makkelijker, want sprekers van het Limburgs bestaan wel, al zullen ze altijd zeggen dat ze specifiek het dialect van Sittard of Roermond spreken.)

Dat alles wil niet zeggen dat Nedersaksisch in een notendop onbruikbaar is. Het is door een vijftal heel bekende experts op het gebied van de noordoostelijke dialecten geschreven en je vindt hier dus van alles bij elkaar over de fonologie, de syntaxis, de plaatsnamen, de dialectdichters en wat er nog meer zoal speelt. Maar ongewild laat dit handboek toch eerst en vooral zien dat het Nedersaksisch een illusie is.

Henk Bloemhoff, Philomène Bloemhoff-de Bruijn, Jan Nijen Twilhaar, Henk Nijkeuter, Harrie Scholtmeijer. Nedersaksisch in een notendop. Inleiding in de Nedersaksische taal en literatuur. Assen: Van Gorcum, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.