Goed scrabblewoord en onvertaalbaar: over folk definitions

Door Marten van der Meulen

Gisteren schreef ik al een Twitterdraadje over dit onderwerp, maar ik wil daar toch ook over bloggen: dan kun je net wat meer achtergrondinfo kwijt. Het begon met onderstaande tweet:

Nu kom je deze kwalificatie, ‘goed / mooi scrabblewoord’, wel vaker tegen (zie hier voor meer):

Iets minder vaak maar toch regelmatig zie je dat mensen, zoals de eerste twitteraar hierboven, dit juist géén goede scrabblewoorden vinden. Genoemde woorden scoren eigenlijk helemaal niet zo veel punten, of passen überhaupt niet op het bord. Aan de ene kant hebben deze mensen gelijk, maar aan de andere kant ook niet. ‘Goed scrabblewoord’ heeft namelijk een tweede betekenis, en door daarover na te denken komen we terecht in een van mijn favoriete onontgonnen subvelden van de taalkunde: de folk linguistics.

Andere betekenis

Als je niet alleen maar zegt ‘het zijn geen goede scrabblewoorden’ maar kijkt naar welke mensen als zodanig classificeren, dan zie je dat die woorden wel iets gemeen hebben. Wat mensen lijken te bedoelen als ze zeggen ‘goed scrabblewoord’ is eigenlijk ‘samenstelling met veel delen’. Nu kun je zeggen: zeg dat dan gewoon. Maar dat is niet hoe taal per se werkt. Betekenissen en definities kunnen verschillen en zelfs veranderen.

Bij woordbetekenis zijn veranderingen en verschillen vrij normaal. Denk aan een woord als ‘poepen’ dat in Vlaanderen en Nederland twee behoorlijk andere betekenissen heeft (sex hebben vs een drol draaien). Of denk aan een woord als ‘letterlijk‘: dat heeft een nauwe betekenis (letterlijk als in ‘precies die letters’) of een algemene versterkende functie (‘heel erg, precies’). Bij ‘letterlijk’ worden ook veel mensen boos, zonder zich te realiseren dat woorden als ‘verschrikkelijk’, ‘ontzettend’ en ‘onnavolgbaar’ precies eenzelfde betekenisverbleking hebben ondergaan.

Onvertaalbaar

Vergelijk die andere betekenis van scrabblewoord eens met een ander bekend voorbeeld: zogenaamde ‘onvertaalbare woorden’. Het interweb staat vol met lijstjes onvertaalbare woorden. Het opvallende is echter dat in vrijwel alle gevallen direct na het zogenaamd onvertaalbare woord wel degelijk een vertaling wordt gegeven. Soms zelfs, zoals aan het eind, een hele goede (grief bacon, ‘treurspek’, wat een héérlijk woord) Kijk maar:

Hier is dus ook eigenlijk sprake van een andere betekenis van onvertaalbaar, namelijk ‘niet gelexicaliseerd’, oftewel het woord in de brontaal is niet één-op-één te vertalen met één woord in de doeltaal. Of het is een idioom in de ene taal waar in de andere geen idioom voor bestaat, zoals bij treurspek. Ook hier kun je zeggen: wat zijn die mensen dom zeg, onvertaalbaar is hartstikke fout, maar opnieuw vind ik die classificatie onterecht en saai bovendien. Wat je in mijn ogen veel beter kan doen (als taalwetenschapper zeker, maar ook als taalgebruiker) is erkennen dat die andere betekenis bestaat en proberen die te begrijpen. Neem die onvertaalbare woorden. Ik zie vooral taalwetenschappers daarop afgeven (dat deed ik tot voor kort ook moet ik bekennen), maar als je verder kijkt zijn het eigenlijk heel erg interessante lijstjes. Er zijn namelijk volgens mij véél meer onvertaalbare woorden (volgens de lexicalisatie-definitie), maar verreweg de meeste daarvan komen niet in de lijstjes voor. Denk aan het Nederlandse ‘kast’: dat staat niet in dit lijstje, terwijl er toch geen 1-op-1 Engelse vertaling voor is.Wat wel in lijstjes staat zijn onvertaalbare Nederlandse woorden als ‘gezellig’, ‘uitwaaien’, ‘voorpret’ en inmiddels natuurlijk ‘niksen‘. Volgens mij zijn dat soort woorden op twee manieren gekozen: ze zijn een beetje interessant en/ of gek, en/ of ze passen potentieel bij de perceptie van een cultuur. Neem dit lijstje Japanse onvertaalbaria. Daar komt een woord als karoshi (dood door overwerk) in voor, en een aantal woorden die met rustgevende natuur te maken hebben. In mijn beleving zijn dat vrij concepten die aansluiten bij stereotypen over Japan.

Folk linguistics

De studie van dit soort percepties valt binnen de folk linguistics, waarin uitspraken over taal door taalgebruikers juist onderwerp van studie zijn geworden. Helaas hebben verschillende factoren ervoor hebben gezorgd dat deze studie lange tijd marginaal is gebleven. Deels komt dat door de focus van de taalwetenschap (als je niet eens kijkt naar wat mensen zeggen maar alleen wat er potentieel in het hoofd zit, doen dit soort uitspraken er niet toe), en door wat taalwetenschappers zelf denken over de kwaliteit van de uitspraken. De grote Labov zelf zei ooit dat dit soort uitspraken ‘poverty-stricken’ waren en dus onbruikbaar (1966:23). Zie ook dit beroemde artikel van Michael Silverstein uit 1981 (‘The limits of awareness’).

Maar de grap is: het gaat helemaal niet om of een observatie juist is, in de zin dat ze overeenstemt met wetenschappelijke observaties. Het gaat erom wat de observatie is. Als ze afwijkt is dat desto interessanter! Gelukkig zijn sommige subvelden wel productief gebleken. Vooral de perceptuele dialectologie, de studie van de perceptie van de regionale verspreiding van taalvarianten en dialecten (waar ik nota bene mijn masterscriptie over schreef) kent vrij veel aandacht.

En nog gelukkiger zijn er ook anderen die wél het nut van de studie inzien. Zo schreef de visionaire Henry Hoenigswald in 1966 al een artikel (‘A proposal for the study of folk-linguistics’) waarin hij voorstelde om voor begrippen als ‘woord’ en ‘grammatica’ te bestuderen hoe ze werden gebruikt door niet-taalwetenschappers. Ik vind dat nog steeds een geweldig idee, dat niet alleen intrinsiek interessante informatie oplevert maar dat ook taalwetenschappers kan helpen hun kennis aan de man te brengen. Immers, als ik het over een woord heb met iemand maar we hebben totaal andere ideeën van wat dat is, dan is de kans klein dat we tot een zinvol gesprek komen. Voor wie verder geïnteresseerd is raad ik het standaardwerkje ‘Folk linguistics’ van Niedzielski & Preston (2010) aan, of zie hier voor een piepkleine mini-introductie.

Kortom: iedereen weet dat goede scrabblewoorden slechte scrabblewoorden zijn, en dat onvertaalbare woorden vertaalbaar zijn. Maar daar gaat het niet om: mensen bedoelen eigenlijk iets anders. Voor mij is dat precies wat uitspraken over taal interessant maakt.

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Marten van der Meulen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

3 Responses to Goed scrabblewoord en onvertaalbaar: over folk definitions

  1. henk Smout schreef:

    Karel van het Reve vertaalde ‘idejnost’ in een marxistisch-leninistisch geschrift uit de Sovjet-Unie met ‘ideeheid’.

  2. Wat een prachtig stukje! En dank voor de boektip.
    Dat ‘scrabblewoord’ met een kleine letter wordt geschreven, wijst erop dat het enigszins los gezien wordt van het spel Scrabble. Misschien zijn er ook mensen die ‘goed scrabblewoord’ zeggen zonder dat ze het spel Scrabble kennen, zoals je ook uitdrukkingen als ‘van zessen klaar’ gebruikt. Maar het lijkt me dat de meesten ook aan de letterlijke betekenis denken en dat sommigen de neiging krijgen om te corrigeren.

    Dat corrigeren lijkt me ook een noodzakelijke voorwaarde voor taal. En voor cultuur in het algemeen. Als iemand een recept voor pasta carbonara met room publiceert, levert dat geheid reacties op dat dit geen echte carbonara is. Die correcties zijn een conservatieve kracht die de cultuur denk ik versterkt.

  3. Erwin Mantingh schreef:

    Dank voor je aanstekelijke en leerzame stuk, Maarten, over folk linguistics – vanzelfsprekend onvertaalbaar, maar laat ik het toch maar doen: volkstaalkunde, om deze vertaling dan ook graag weer voor een betere op te geven.
    Voor mij als taalkundige leek leg je een boeiend onderzoeksterrein open waarvan ik geen benul had dat het bestond, uitgezonderd het aloude fenomeen van de volksetymologie, dat vooral in de Middeleeuwen welig tierde, tot in de wetenschap aan toe. (Naamkunde van het type: de castor (bever) heet zo omdat hij zichzelf castreert als hij op de vlucht slaat in de hoop dat hij het vege lijf zal redden door zijn ballen aan de jagers te offeren; lees het na in ‘Der naturen bloeme’ van Jacob van Maerlant, die het weer aan zijn Latijnse bron ontleende.) Ik neem aan dat zulke ‘volksetymologie’ ook deel uitmaakt van de folk linguistics. Maar dat even uit het hoofd en terzijde. Het gaat mij om iets anders.
    Laat je in de casus die je als vertrekpunt neemt, het gebruik van ‘goed scrabblewoord’, niet een nuance onbenoemd die de gebruikte aanduiding in bepaalde gevallen sterker maakt dan je vermeldt? Het gaat er niet alleen om dat een ‘samenstelling uit veel delen’ bestaat maar ook dat het genoemde woord zich op tal manieren in veel stapjes laat samenstellen of samenvoegen. Er zijn vermoed ik veel meer wegen die leiden tot ‘eik+en+processie+rups+jeuk+piek’, dan tot ‘nacht+merrie+scenario’ en dat komt niet alleen door het hogere aantal samenstellende delen, maar ook door het grotere aantal mogelijke vertrekpunten vanuit die delen. Bovendien moeten we bij Scrabble niet uitsluiten wat taalkundig beschouwd niet als deel van een samenstelling geldt: in het eerste geval kunnen bijvoorbeeld woordjes als ‘ei’, ‘ik’, ‘es’, ‘je’, ‘uk’ en ‘pi’ ook de kiem van het uiteindelijke woord zijn, in het tweede ook ‘me’, ‘er’, ‘na’ en ‘ar’. Een computer zou eraan te pas moeten komen om mijn bewering te staven, maar ik ben geen Battus.
    Met een ‘goed scrabblewoord’ wordt in zijn ultieme betekenis dus meer uitgedrukt dan lang, hoge woordwaarde en veelledig: vergeet niet het opvelemanierensamenstelbaarheidscriterium. Dat woord past evenmin op het speelbord en mij bekruipt intussen het gevoel dat ik me ver op het terrein van het Opperlands heb begeven – wat ik evenmin heb nagekeken.

Laat een reactie achter