Fantasie en maatschappijkritiek

Door Theo Meder

Soms krijg je als onderzoeker een, op het eerste gezicht, eigenaardig boek ter recensie aangeboden. Het overkwam mij met de wetenschappelijke bundel Phantastik und Gesellschaftskritik im deutschen, niederländischen und nordischen Kulturraum, met als tweede titel Fantastique et approches critiques de la société; Espaces germanique, néerlandophone et nordique. De editeurs zijn Marie-Thérèse Mourey en Evelyne Jacquelin en de bundel van 272 pagina’s verscheen in 2018 bij de universiteitsuitgeverij van Heidelberg voor de somma van 56 euro.

Het eerste eigenaardige aan deze wetenschappelijke uitgave is dat de bijdragen in het Duits en het Frans zijn. Niet dat dat verboden is, maar Engels was voor veel lezers een betere keuze geweest. Je hoopt vervolgens dan dat tenminste de Abstracts (pp. 245-255) achterin in het Engels zijn, maar nee, die zijn weer tweetalig Duits en Frans. Editeur Mourey rechtvaardigt in haar voorwoord de bundel als internationaal en interdisciplinair (p. IX). Met het Namenregister (pp. 267-272) is het misgegaan trouwens: in het boek ontbreken de verwijzingen naar de bladzijden, en dus moest er een los katern worden ingelegd met namen en de corresponderende pagina’s. De tekst op de achterflap belooft bijdragen over narratieve fantasiewerelden in hun relatie tot de realiteit.

De artikelen blijken niet of nauwelijks over volksverhalen (sprookjes, sagen, legenden) te gaan, maar vooral over letterkunde. Ook geen bezwaar, maar men zou dan in eerste instantie artikelen verwachten over bijvoorbeeld Gulliver’s Travels van Swift, Alice in Wonderland van Carroll, het oeuvre van Poe, Lord of the Rings van Tolkien, de Narnia Chronicles van Lewis, 1984 van Orwell, of de Schijfwereld-cyclus van Pratchett. Op de Engelstalige letterkunde ligt in de bundel echter duidelijk niet de nadruk: Poe wordt vijf maal aangehaald, Swift en Orwell beiden één keer. De meeste aandacht gaat nadrukkelijk uit naar literaire Duitstalige auteurs (voor een volwassen leespubliek) als E.T.A. Hoffmann, Franz Kafka, Leo Perutz, Thomas Mann en Fritz Rudolf Fries. Geen vreemde keuzes op zich, al komt een bijdrage over de Deense filmregisseur Lars von Trier dan weer als een verrassing, niet eens zo zeer vanwege de inhoud van zijn films, maar omdat we hier toch met een ander genre te maken hebben. Waarom dan ook niet Guillermo del Torro (van Pan’s Labyrinth) of Tim Burton (met een enorm oeuvre aan fantasy-films)? Matteo Galli rekent de films van Von Trier niet ten onrechte tot het sub-subgenre van de “Mind-Game Film” waartoe ook films als Fight Club, The Sixth Sense, Matrix en Memento gerekend kunnen worden (p. 225).

Afijn, er is nu eenmaal een keuze gemaakt, en de verschillende onderzoekers hebben nu eenmaal zo hun specialisme. De lezer wordt wel nieuwsgierig wat dan de “niederländischen” of “néerlandophone” (wat niet helemaal hetzelfde is) bijdrage aan deze bundel is. Je zou verwachten dat hier het magisch realisme van Hubert Lampo een plaatsje heeft gekregen, maar dat blijkt niet het geval. Ja, hij wordt drie keer genoemd in het boek. Maar de bijdragen gaan over een Nederlands-Antilliaans oeuvre en over Vlaamse romans van Hugo Raes, Peter Terrin en Peter Verhelst. De Antilliaanse schrijver is Boeli van Leeuwen, onder andere bekend van De Rots der Struikeling, in welke (oorlogs)roman een geheimzinnige en magisch-realistische vermenging optreedt van Nederlandse, Antilliaanse en Zuid-Amerikaanse motieven. Beide bijdragen zijn overigens in het Frans geschreven, en de Franse omschrijving “néerlandophone” in de titel is hier dus het meest accuraat.

Wat hoogst interessant is aan de bundel is het uitgangspunt dat ook literatuur (of film) met een hoge mate aan ‘fantasy’ lang niet altijd een vlucht is uit de werkelijkheid, maar vaak juist een kritisch commentaar levert op een maatschappelijke realiteit. We zijn geneigd om daarbij eerder te denken aan de fabel of het diersprookje, waarin dieren menselijke rollen vervullen, en waarbij op verkapte wijze kritiek wordt geleverd op de werkelijkheid van alledag. Denk daarbij aan verhalen over Reinaert de Vos, waarin de bedenkelijke gang van zaken aan het Vlaamse hof aan de kaak wordt gesteld, of aan bepaalde verhalen over Anansi de Spin, waarin de underdog het absolute gezag te slim af is.

Maar het is zeker waar wat in de bundel gesteld wordt: ook ‘fantasy’ levert commentaar op bestaande maatschappelijke omstandigheden. Het reeds genoemde boek 1984 is natuurlijk het meest voor de hand liggende voorbeeld: een toekomst waarin een totalitaire staat een immer gecontroleerde bevolking indoctrineert met propaganda en ‘fake news’ lijkt soms zelfs dichterbij dan ooit (de scherpzinnigste tegenhanger van de slogan “Make America Great Again” is nog altijd “Make 1984 Fiction Again”), en het boek is dan ook een geduchte waarschuwing om het nooit zo ver te laten komen. De kerngedachte van de bundel Phantastik und Gesellschaftskritik is klip en klaar: politieke, sociale en culturele kritiek is niet voorbehouden aan realistische romans (en films), maar komt in fantasievolle werken evengoed aan de orde en kan niet afgedaan worden als een (minderwaardige) vorm van escapisme. Wanneer Gregor Samsa op een ochtend ontwaakt als een enorme kever (eig. ‘Ungeziefer’, ongedierte) in Die Verwandlung van Franz Kafka, dan is dat niet louter een creatief doch absurd (volgens Lübcke: Freudiaans) gedachtenexperiment, maar ook een aanklacht tegen de burgerlijke uitsluiting van de afwijkende ander, de gevreesde ‘Other’ die zich bovendien onttrekt aan het heersende arbeidsethos. Juist het vervreemdende effect van zulke verhalen kan de ratio ontregelen en mensen aan het denken zetten.

Afgezien van absurdisme en horror in het algemeen, mysterieuze en tragische sterfgevallen, geestesziekten, hypnose, leugens en onbetrouwbare vertellers, komen allerhande fantasievolle motieven in de bundel aan bod: geheimzinnige dubbelgangers, gedaanteverwisselingen, het boze oog, tovenaars, magie, vervloeking, wisselkinderen, droombeelden, hallucinaties en visioenen, apocalyptische taferelen, duivels en demonen, geesten, spoken en terugkerende doden, spiritistische séances en overige occulte, bovennatuurlijke en wonderbaarlijke zaken. De werken uit de twintigste eeuw spelen daarbij regelmatig in een context van Duits fascisme of communisme (DDR).

De portée van deze bundel deed me sterk denken aan een stuk uit 2016 van Colleen Gillard in The Atlantic, onder de titel ‘Why the British Tell Better Children’s Stories’. Ze vergelijkt in dit artikel met name de Britse en Amerikaanse kinderboeken met elkaar, en stelt vast dat Britse schrijvers nog altijd stevig geworteld zijn in hun cultuur vol fantasierijke volksverhalen, terwijl de Amerikaanse schrijvers zich meer toeleggen op realistische vertellingen. Met andere woorden: Harry Potter versus Huckleberry Finn. De meest geliefde bestsellers komen toch echt uit de UK: Winnie-the-Pooh, de Hobbit, Peter Pan, Alice in Wonderland… En de Harry Potter-reeks zit evengoed vol ethische dilemma’s en beschrijft uiteindelijk de ultieme en eeuwige strijd tussen moreel goed en kwaad. Kortom: met ‘de verbeelding aan de macht’ is helemaal niets mis.

Marie-Thérèse Mourey & Jacquelin Evelyne (red.) Phantastik und Gesellschaftskritik im deutschen, niederländischen und nordischen Kulturraum. Winter Verlag, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Dit bericht is geplaatst in recensies, Vertelcultuur met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter