Dit is de Frenesie

Door Jos Houtsma

Op de laatste bladzijden van een handschrift in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag [Bruikleen Koninklijke Akademie van Wetenschappen, XXIV] waarin ook een versie is opgenomen van de Roman van de Roos en van de Roman van  Cassamus, bevinden zich 94 regels van een gedicht dat als titel draagt Dit es de frenesie. Na regel 94 breekt het gedicht af: het laatste blad van het handschrift is ergens in de geschiedenis verloren gegaan. 

Dit es de frenesie, “Wat een waanzin!” Het is een tekst waar Neerlandici zich sinds de eerste publicatie door J.F. Willems van tijd tot tijd het hoofd over hebben gebroken. Eelco Verwijs en C. Kruyskamp rekenden hem tot het genre van de boerden, Middelnederlandse verwanten van de Oudfranse fabliaux  en de Middelhoogduitse Mären. Te Winkel, F.J. Lodder en onlangs nog Ben Parsons en Bas Jongenelen willen het tekstje liever zien als een dramatische monoloog. Maar is het dat echt?

Laten we eens kijken. 

De Frenesie opent met een klassiek exordium: een ik-figuur richt zich tot de lezer: “Als iedereen zich bezig houdt met poëzie, dan zou ik wel gek zijn als ik, als ik ‘s nachts niet kan slapen, me niet ook met poëzie bezig hield.”

Het dich[t] al dat lepel lect:
waendi dat ic bem vergect,
dat ic oec niet dichte ende make,
des nacht als ic niet en vake?

Onmiddellijk daarop volgt een wijsheid die hier maar nauwelijks mee verband houdt. “Menigeen laat enorme scheten als hij slaapt”: 

Menichgen, als hi slaept,
sijn ers herde wide gaept
ende blaest als ene bosine.

Waarna er  opnieuw een ik aan het woord komt, nu met een liefdesklacht:

Ay ute vercorne fine,
des es leden menichgen dach,
dat mi v minne int herte lach,
ende gine wilt mijns niet ontfarmen.

Het is een benadering die de tekst ook in het vervolg nog even vasthoudt. “Je hebt met me gespeeld, je hebt me versleten! Wat zou ik ermee opschieten als ik om je zou sterven? Als je je vrolijk maakt om mij, maak ik het uit. Anders zou ik wel een vreselijke sukkel zijn.” 

Na deze tirade wordt er een heel nieuw onderwerp aangesneden. Er is een ik die studeert in Parijs, maar die zelden met zijn  neus in de boeken zit. Waar hij zich mee bezig houdt is smullen (regel 26) en dobbelen (regel 30,31) en “wie zegt dat ik een dwaas ben, hoeft bij mij niet aan te komen”: 

die seide dat ic ware .i. dwaes,
hine ware mi niet willecome.

In regel 34 en verder speculeert de student hoe het met hem zal aflopen. Als hij thuiskomt, is hij  meester vander arten en hij wil graag als zodanig behandeld worden, maar hij heeft geen cent te makke, en het draait er op uit dat hij langs de straten zwerft als een zwervende klerk, een Everardijn (regel 41), in de kledij van de onmaatschappelijken:

Int leste hebbic an een net
ende bem een everardijn.

 Graag zou hij een wijntje drinken, maar hij weet niet waar hij het geld vandaan moet halen:   

Ic dronke gerne goeden wijn,
maer ic en weet waermet copen,

Dus moet hij aankloppen bij zijn familie, die weinig medelijden met hem heeft: 

dus moet ic achter lande lopen
te minen moyen, te minen maegen,
die mijn ongheual luttel claegen.

Het draait erop uit dat hij met roverij aan de kost moet komen: de “prebende”  waar hij meent recht op te hebben moet hij zich met geweld verwerven tusscen couden berge ende biester velde met andere woorden, waar het koud is en armoedig. 

Vervolgens maakt de tekst weer een volte face. “Als je zelf wordt beroofd, ga dan maar naar de bisschop van  Bremen, die regelt dat wel”: 

Gaet ten biscop van Bremen,
hi sal v te rechte houden.

De “bisschop van Bremen” zal wel een “bremer” zijn of misschien een “bremmer”: een pocher, een opschepper, iemand die kabaal maakt (MNW en WNT s.v.  bremmen). En onmiddellijk daarna een nieuwe draai: “Als ik bij die bisschop kom, dan wordt de zaak zo geplooid dat er niets voor mij overblijft – zoals het al zoveel mensen is overkomen.” De toon die nu de overhand krijgt is die van een aanklacht tegen het priesterdom. 

Ende constu spreken geen latijn?

“Dan ben je slecht af. Maar  met geld kom je verder dan met een zak vol latijn”: 

Ay here, een florijn
es daer beter, geloeft mi des,
dan een sac vol latijns es.

De reden? 

Dit coemt al bi symonien.

Nou ja, vooruit. 

En hup, het gedicht maakt opnieuw een draai:

Nv willic scone vrouwen vrien
ende moet gelt costen mede

“Ook als het geld kost, maar dat heb ik niet.”

En weer een draai. Twee personages wisselen een woordje: 

“Wie goed doet, goed ontmoet.” “Denk je dat ik dat niet versta? Dat is Frans.”

Ki bien fra bien ara.
Waendi dat ic niet en versta?
Hets walsch dat gi spreect.

En dan is er plotseling iemand die in zijn slaap wordt gestoord : “je hebt me wakker gemaakt, rotzak!”

Gi hebt mi vten slape gewect,
wel leede moete v gescien!

En een droomsequens. Een ik meldt dat hij een kalf heeft gezien dat de mis zingt, en dat benoemd wordt tot kardinaal, want het was een neefje van de paus. 

Ic hebbe in minen drome gesien
een calf singen messe
en kende lettren niet sesse,
ende het wert cardinael te rome
ende was den paeus willecome,
want het was sire suster kint.

“Zo beroerd staat het er met de wereld voor: als je vergiffenis wilt, dan kost je dat geld”:

Dus es die werelt nv gescint
het vercochte om gelt pardoen

En nog een droom. De ik zag eens hoe een paap uit de Kempen dacht dat hij een kind doopte, maar het was een geit:

Ic sach een kint kerstin doen
van enen pape in kempin lande,
so wort dat kint een geet.

Hij had het natuurlijk van tevoren moeten bedenken, maar het kon hem allemaal geen pest schelen: 

hine gauer niet omme enen dreet

De Frenesie eindigt met een woeste tirade tegen het liefje van een of andere ik: 

“Wat zit ze nou te zaniken, ze kletst me de oren van het hoofd”:  

Wat wijt mi dese hoere?
Si clapt mijn hoeft ontwee!
Deus, mi es herde wee!

“En dan legt ze me op de andere kant, en het lijkt net of ik, nu weer in de lengte, dan weer over dwars, op de reet rijdt van een bedelmonnik” – whatever:

ende legt mi ouer dander side.
Mi dunct altenen dat ic ride
alse nv langes, alse nv dwers,
op eens graeus moencs ers.

De Frenesie is een gedicht dat kronkelt als een slang. Is er één ik, die na het exordium eerst vertelt over zijn aanbedene, dan over zijn studie in Parijs? Die daarna vooruitblikt naar zijn thuiskomst? Die vervolgens met roverij aan de kost moet komen? Die klaagt over de corruptie van het “paapschap”? Wat moet het dialoogje over de Waalse taal? Is daar de student bij betrokken? En zo ja, in welke rol dan?  En die droomsequens, hoe verhoudt zich die tot de rest van dit gedicht? 

Ben Parsons en Bas Jongenelen wringen zich misschien wel erg in bochten om het allemaal aan elkaar te rijmen. Ik zelf ben eerder geneigd die fraaie vers te zien als een staaltje van nonsenspoëzie, allicht te vergelijken met de fragmenten die Remco Sleiderink en Herman Mulder in 2007 uit een  Mechelse boekband peuterden. Een gedicht dat vergelijkbaar is met de nonsensliederen die men van tot ver in de zeventiende eeuw tegenkomt in liedverzamelingen [zie bijvoorbeeld hier en hier. En wie weet met “Madocs droom”, die, net als “Reinard en Arturs boerden”, voor Jacob van Maerlant de tegenpool vormde  van het serieuze geschiedwerk waar hij zich op liet voorstaan. 

Jos Houtsma