Die vragenlijst met van die onzinwoorden

Door Marijke De Belder

Twee weken geleden vulde u misschien een vragenlijst met onzinwoorden in op Taalpost. In deze tekst krijgt u daarbij een kijkje achter de schermen. Wat heb ik getest en waarom, hoe is het verlopen en wat zijn de resultaten? U vindt het hieronder. 

In 1989 observeerde Mieke Trommelen dat de stam van een ongeleed Nederlands werkwoord uit slechts één lettergreep kan bestaan. Samen met de infinitiefuitgang -en maakt dat dus twee lettergrepen, zoals in werken, kussen, fietsen en botsen. De enige uitzondering zijn werkwoorden waarvan een tweede lettergreep –er of –el is, zoals in fluisteren of stamelen

Werkwoorden die we (soms via het Duits of het Engels) uit de Romaanse talen hebben geleend zoals produceren en creëren vallen niet onder haar stelling. Tenslotte zijn die wél geleed. Dat wil zeggen, ze bestaan altijd uit minstens twee woorddelen, zoals produc- en -eer in produceer

Indrukwekkend

Zoals Mieke Trommelen zelf al aangaf, vind je met enige moeite wel enkele uitzonderingen, zoals ravotten, slabakken en neuriën, maar die zijn echt ongelooflijk zeldzaam. Als je ook werkwoorden meetelt die zijn afgeleid van zelfstandige naamwoorden, zoals kanoën en papegaaien, vind je nog meer uitzonderingen, zoals Trommelen ook al opmerkte.

Zelfstandige naamwoorden kunnen natuurlijk ook uit één lettergreep bestaan, zoals hond en kast. Maar ook zelfstandige naamwoorden die uit twee (of meer) lettergrepen bestaan, zijn doodnormaal. Voorbeelden zijn villa, garnaal, fontein, lente, barok, … Ik kan zo nog uren doorgaan. Dat werkwoorden van twee lettergrepen dus wel zo zeldzaam zijn, is echt opmerkelijk.

Mieke Trommelen vermeldt niet precies hoe ze tot haar besluit is gekomen, maar uit haar artikel vermoed ik dat ze waarschijnlijk een retrograde woordenboek had of in een digitaal woordenboek op de achterkant van woorden heeft gezocht. Voor de beperkte technologische middelen die ze moet hebben gehad, waren haar bevindingen indrukwekkend.

Huzarenstukje

In 2006 hebben Jan Don en Marian Erkelens naar aanleiding van het werk van Mieke Trommelen een grappig, klein experimentje uitgewerkt. Ze hadden twintig nonsenswoorden verzonnen, zoals pluig en fallem, en vervolgens hadden ze aan 28 moedertaalsprekers gevraagd of ze vonden dat die nonsenswoorden meer aanvoelden als een werkwoord of als een zelfstandig naamwoord. Het mag dan een klein onderzoekje geweest zijn, van de resultaten word je wel even stil. Pluig werd door 80% van de deelnemers een werkwoordstam genoemd, fallem slechts door 10%. Blijkbaar kan je dus volstrekte onzin presenteren aan moedertaalsprekers van het Nederlands en toch voelen ze intuïtief aan wat de woordsoort waarschijnlijk is. Als daar je mond niet van openvalt!

Twee weken geleden heb ik een onderzoek uitgevoerd dat deze bevindingen grootschalig testte. Ik heb voor ongeveer 30 lettergreepstructuren getest of moedertaalsprekers de structuur eerder aanvoelden als een werkwoord of een zelfstandig naamwoord. Ik had meer dan 600 nonsenswoorden gecreëerd met één of twee lettergrepen en die lettergrepen verschilden systematisch in een aantal eigenschappen. Ik wisselde bijvoorbeeld korte en lange klinkers af. Per type lettergreepsamenstelling had ik twintig nepwoorden. Die waren zo samengesteld dat ze in principe welgevormde Nederlandse woorden hadden kunnen zijn, terwijl ze toch minstens meer dan één letter verschilden van een bestaand, frequent gebruikt woord. 

Het is vooral voor eenlettergrepige woorden een heel huzarenstukje om zulke onzin te verzinnen. Op de bonnefooi is dat onbegonnen werk: als je achter je bureau maar een beetje woorden gaat zitten bedenken, zit je heel lang bezig voordat je er eentje gevonden hebt dat had kunnen bestaan, maar toevallig toch niet bestaat en toevallig ook niet heel dicht in de buurt komt van een woord dat wel bestaat en vaak gebruikt wordt. Ik heb, met de hulp van mijn collega Margreet Vogelzang, daarom een programmaatje geschreven dat dat werk automatisch deed. Mijn laptop heeft dus vlijtig onzin zitten berekenen en vergelijken met bestaande woorden, niet ik. En ook die heeft er wel even over gedaan. Uit die lijsten met automatisch gegenereerde onzin hebben een studentassistente en ikzelf dan per lettergreepsoort de twintig beste woorden gehaald. De beste woorden waren die woorden die onderling niet op elkaar lijken en waarbij je toch telkens denkt: “’t was best een leuk woord geweest, jammer dat het niet bestaat”. 

Lukraak

Als je 600 woorden wil laten beoordelen, zit je vervolgens met een probleem. Je kan niet aan een moedertaalspreker vragen om ze even allemaal te bekijken. Dat duurt te lang, het is te saai en te lastig. Daarom hebben we die 600 woorden over tien lijsten gespreid met telkens 60 woorden. Zo’n lijst invullen duurt minder dan tien minuten. Die taak is plots wel haalbaar. Opnieuw samen met Margreet heb ik dan een link gemaakt die diegene die erop klikt, willekeurig naar één van die tien versies stuurt. Die link is naar Taalpost gegaan -een mailinglist- met de vraag aan de lezers om een vragenlijst in te vullen.

Per onzinwoord konden moedertaalsprekers kiezen of ze “ik …” of “een…” beter vonden. Ik froedem of een froedem, een splum of ik splum, zulke vragen. Je kan denken dat het vreemd is bij eenlettergrepige woorden mensen toch te dwingen een keuze te maken, want eigenlijk voorspel je dat beide keuzes goed zijn. Dat is echter geen probleem als je het maar aan genoeg mensen vraagt. Bij gedwongen, evenwaardige keuzes krijg je dan vanzelf een 50%-50% verdeling. (Nu ja, zo ongeveer toch, ik ga hier even kort door de bocht.)

De reacties liepen pijlsnel binnen en in minder dan 24 uur had ik per lijst 60 informanten die aan de criteria, waarnaar ik vroeg in de vragenlijst, voldeden en kon ik de vragenlijst uitschakelen. Mijn criteria waren heel gebruikelijke criteria in taalkundig onderzoek. Informanten mogen bijvoorbeeld zelf geen taalkundige zijn, ze moeten moedertaalspreker zijn en ze mogen niet meer dan één moedertaal hebben, enzovoort. Verder zijn het dus lukraak mensen geweest in Nederland en Vlaanderen, waarvan ik de identiteit niet ken en nooit te weten zal komen. Sommigen schreven aan het einde van de vragenlijst iets liefs of ontroerends. Sommigen groetten me met een zinnetje met enkel onzinwoorden, wat ik bijzonder grappig vond. 

Streumel

Ik schrijf ook altijd ergens opzettelijk iets ‘moderns’ of ‘informeels’ dat mensen met een streng talig normbesef graag afkeuren, zoals u kan. Er zijn altijd informanten die het niet kunnen laten daar een opmerking over te maken. Dat vind ik heel informatief. Op die manier krijg ik een indruk hoe de deelnemers tegenover taalgebruik staan.

Alle deelnemers hebben dus onbaatzuchtig tien minuten van hun tijd aan de wetenschap gegeven, waarvoor ik echt heel dankbaar ben. Dankzij het internet kan je al die individuele tien minuten van 600 mensen samenleggen en dan kom je zo aan 6000 minuten oftewel 100 uur gulle, vrijwillige medewerking aan wetenschappelijk onderzoek. Ook daar word je even stil van. Het is ook fantastisch dat er zoiets als Taalpost bestaat, daar hebben onderzoekers naar het Nederlands echt geluk mee.

Ik heb nu dus per lettergreepstructuursoort van eenlettergrepige en tweelettergrepige woorden over telkens 20 woorden 60 oordelen. Over elke structuur heb ik dus 1200 oordelen. Dat is véél. Ik kan met zekerheid zeggen: “Mieke Trommelen had gelijk.” Moedertaalsprekers van het Nederlands voelen haarscherp aan dat tweelettergrepige woorden geen al te beste werkwoorden zijn. Ze maken slechts één uitzondering: als de woorden eindigen op –er of –el, kan het plots wel. Het onzinwoord streumel, bijvoorbeeld, wordt zelfs door 88% van de moedertaalsprekers vooral als een werkwoord aangevoeld. Voor mensen die gespecialiseerd zijn in de Nederlandse lettergreep, valt er overigens nog heel wat meer te zien in de data dan deze tweedeling.

Contracten

Toen Marc van Oostendorp via Taalpost de vragenlijst zag, begreep hij natuurlijk op slag wat ik aan het doen was en heeft hij me een artikel opgestuurd waarin een taalkundige, Jennifer Smith, vergelijkbare fenomenen voor nog heel wat andere talen van de wereld bespreekt. Het Nederlands is hier dus geen vreemde eend in de bijt. Het opvallende is trouwens dat het steeds zo is dat zelfstandige naamwoorden meer mogen dan werkwoorden. Werkwoorden zijn kleiner, strikter, meer beregeld en voorspelbaarder dan zelfstandige naamwoorden in de talen van de wereld.

Eén van de beroemdere talen qua lettergreepstructuur is het Arabisch. De lettergreepstructuur van werkwoorden is in die taal ook veel strikter dan die van zelfstandige naamwoorden in allerlei interessante opzichten. In 2005 schreef een taalkundige, John McCarthy, dat dat aan de werkwoordsuitgangen van het Arabisch ligt. Die zouden niet zomaar met alles kunnen combineren. Die verklaring werd vrijwel onmiddellijk in twijfel getrokken door Jonathan Bobaljik die gespecialiseerd is in het Itelmen, een Russische minderheidstaal. Ook daar vind je vergelijkbare fenomenen, maar je kan voor die taal heel duidelijk aantonen dat het niet aan de werkwoordsuitgangen kan liggen. 

Ook voor het Nederlands is zo’n verklaring weinig plausibel. Onze werkwoorduitgangen en naamwoorduitgangen zijn qua klankstructuur niet echt verschillend. Bovendien klinken al die tweelettergrepige woorden heus zo slecht nog niet als je ze toch als werkwoord begint te vervoegen. Een verzonnen vervoegde werkwoordsvorm als wij barakten (van het zelfstandige naamwoord barak) lijkt qua lettergreepstructuur precies op contracten, het bestaande meervoud van het zelfstandige naamwoord contract. Dat een vervoeging als werkwoord voor tweelettergrepige woorden dus onmogelijk zou zijn, kan je voor het Nederlands moeilijk hard maken. De oorzaak van de beperking moet elders gezocht worden. Jonathan Bobaljik stelt voor het Itelmen voor dat het ligt aan het feit dat werkwoorden en zelfstandige naamwoorden als woorden vast heel anders opgebouwd worden. Daar ga ik nu over nadenken.

Dit onderzoek wordt uitgevoerd aan de vakgroep Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Oldenburg (in Duitsland, een uurtje ten oosten van Groningen) onder leiding van professor Esther Ruigendijk.