Bloemhofjes en Tijdverdrijvers: Schriftuurlijke Raadsels

Door Marti Roos

Naast boekjes met raadsels voor vermaak, zoals het Clucht boecxken, die sinds het midden van de 16e eeuw het licht zagen, verschenen er ook boekjes met zogenoemde schriftuurlijke of religieuze raadsels. Enerzijds sluiten deze aan bij catechismussen, waarin godsdienstige kennis met betrekking tot de bijbel en de geloofsleer werd overgebracht in de vorm van vraag en antwoord (eventueel voorzien van een vindplaats in de bijbel); anderzijds bevatten ze ook spitsvondige vragen over bijbelse curiosa afkomstig uit de kloostertraditie, die sinds de vroege middeleeuwen in verschillende handschriften zijn overgeleverd, en naar de titel van een aantal hiervan als Joca Monachorum (‘mopjes van monniken’) worden aangeduid. Zo werd in de schriftuurlijke raadselboekjes toch het leerzame met het aangename gecombineerd.

Lusthof

In 1679 verschijnt de Lusthof der goddelyke historien, of den christelijken tijdverdrijver, een lijvig boek om bijbelkennis op te doen door middel van vraag en antwoord. Het is een vertaling van het Duitstalige Christlicher Zeituertreiber, oder Geistlich Retzelbuch van de hand van Michael Sachs, een werk dat met zijn thematische indeling en quizachtige vragen bijzonder populair was. Het werk verscheen voor het eerst in 1593 (eerste deel) en 1597 (tweede deel) en werd meer dan twintig maal herdrukt. De Nederlandstalige Lusthof is vijfmaal herdrukt, voor het laatst in 1772.

Bloem-hofje

Kort na de publicatie van de Lusthof verschijnt er in 1683 een kleine, eenvoudige uitgave getiteld Kleyne bloem-hofje ofte Schriftuurlijck Raetsel-boeckje, met 66 raadsels en vragen die grotendeels zijn gebaseerd op de Lusthof. Van deze eerste uitgave is één exemplaar bekend, dat wordt bewaard in de bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam (signatuur: VU: XI.06658:4). Het Kleyne bloem-hofje werd verschillende malen herdrukt; er zijn voor zover bekend vijf exemplaren bewaard gebleven, waarvan het jongste uit 1775 is.

Het boekje opent met een vraag naar gods grootheid:

    Raedt. Wiens Ouderdom en kan niet uytgereken (lees: uytgerekend) worden?
    Antw. Godt, Job 36. vers 26. Godt is groot, en wy begrijpen met geen Ondersoekinge van ’t getal zijnder Jaren. (= Lusthof I, 14)

De vragen hebben vooral betrekking op de bekendere bijbelse verhalen en personages, zoals Adam en Eva, of op wonderbaarlijke gebeurtenissen, zoals Jonas in de walvis, aan wie twee vragen zijn gewijd, of de sprekende ezel van Bileam, waaraan er drie zijn gewijd. Veel vragen worden gesteld in de vorm van superlatieven, en de meeste zijn voorzien van een bijbelvers, dat overigens niet altijd klopt.

    Raedt. Wie heeft in korten tyd de alderwonderbaerlykste Scheepvaart gedaan?
    Antw. Jonas, doen hy drie dagen en drie nagten in den buyck des walvis was besloten, wyd en breed in ’t Meyr heeft omgezwomme, Jonas 2: 3. (= Lusthof I, 181)

    Raedt. Wie is de eerste Smit geweest?
    Antw. Tubal Kain de zoone Lamegs, Gen. 4: 22. (= Lusthof II, 298)

Ondanks de serieuze strekking van het boekje doen sommige vragen toch aan schertsvragen denken:

    Raedt. Wie heeft de eerste rok of ’t eerste kleet gemaekt
    Antw. God de Heer self want so schryft Moses Gen. 3 21 en God maekte Adam en zijn Wijf rocke van vel. (= Lusthof II, 295)

    Raedt. Wie is de konstighste Beeldt snyder gheweest?
    Antw. Godt de Heere, want hy heeft uyt een Rib, het alderschoonste Vrouwe Beeldt gemaeckt, welckers ghelijcke nergens op de werelt is te vinden geweest, Genes. 2: 22. (= Lusthof I, 24)

Een aantal vragen uit het Kleyne bloem-hofje berust op spitsvondigheden uit de kloostertraditie zoals overgeleverd in handschriften van de Joca Monachorum, of vragen die daarop voortborduurden:

    Raedt. Wat Mensche is niet in de werelt gebooren geweest, en heefter nochtans in geleeft?
    Antw. Adam, de eerste Mensche is gemaeckt, en niet gebooren.(= Lusthof I, 101)

    Raedt. Wat Vrouwe is Ongebooren gestorven?
    Antw. Eva, want die is niet ghebooren, maer van Adams Ribbe geschapen, en eyndelijck gestorven, Genes. 2. (= Lusthof I, 126)

    Raedt. Welkers Vrouwe is gebooren, en niet gestorven, noch begraven?
    Antw. Loths Huysvrouw, want die is verandert in een Soutsteen, Genes. 19: 26. (= Lusthof I, 127)

Enkele vragen in het Kleyne bloem-hofje zijn niet afkomstig uit de Lusthof, zoals het onderstaande raadsel-gedichtje over de ezel van Bileam, dat in ongeveer dezelfde vorm bekend is uit verschillende 16e- en 17e-eeuwse bronnen:

    Raedt. Die niet en spreekt als door Godts Geest,
en niet en sondicht in ’t minst en meest,
de Vraegh is midts desen,
of die wel Zaligh kan wesen?
    Antw. Neen, want ’t was Bileams Ezel

De vraag over Joseph van Arimathea, die ook al was opgenomen in het Clucht boecxken, wordt in het Kleyne bloem-hofje in meer mystieke bewoordingen uitgedrukt:

    Raed. De Salige bad de Onzalige om de Saligheyt, en de Onzalige gaf de Zaligheit.
    Ant. Joseph van Arimathea, bad aen Pilatus om ’t Lighaem van Christus, ende Pilatus gaf hem het Lighaem van Christus, Math. 27.

De oudere drukken van het Kleyne bloem-hofje (1683 en 1712) bevatten een vraag over Simon de hogepriester uit het boek der Makkabeeën die in latere drukken is vervangen door eenzelfde vraag over Joseph van Arimathea, wellicht omdat het boek der Makkabeeën wel deel uitmaakt van de bijbel in de katholieke traditie maar als apocrief werd beschouwd in de protestantse traditie.

    Raedt. Wat mensch heeft het heerlijckste Grafsteen laten maken?
    Antw. Symon de Hooge Priester tot Jerusalem, want die liet tot Moden een hoogh Graft van van gehouwen Steenen maken seer Kostelijck, 1 Mach. 13: 25. (= Lusthof II, 246)

    Raedt. Wat mensch heeft het heerlykste Grafsteen laten maken?
    Antw. Joseph van Arimathea tot Jerusalem want die liet een zeer kostelyk Graf maken van uytgehouwen steen, Matth. 27: 60.

Van het Kleyne bloem-hofje verscheen ook een uitgave op nog kleiner formaat, het Bloem-hofje, of het stigtelijk raatsel-boekje, dat 55 raadsels bevat. De bewoording is nagenoeg hetzelfde, alleen is het raadsel over Joseph nu in dichtvom gegoten: dit raadselgedicht komt ook al voor in Mersch’ raadselboek uit 1593. Dit Bloem-hofje sluit overigens af met een wereldlijk raadsel over de tong en een christelyke bedenkinge om gerustig te sterven.

    Raad. Wie is ’t die voor ’t nagt-gesigt verkleent is,
en de hoogste verkoren,
wiens doodt beweent is
drie-en negentig jaar te voren?
    Antw. Joseph

Dokkumse Tyd-verdryver

Tydverdryver

In het eerste decennium van de 18e eeuw verscheen er in Dokkum een bewerking van het Geestelijck bloem hofken, zoals het voorbericht gericht aan de christelijcken leeser vermeldt, waarin het aantal vragen en raadsels werd uitgebreid tot 130. Het boekje opent en besluit met een aansporing tot deugdzaamheid aan de jonge jeught, en als toegift volgt er nog een lied op de wijze van de Tien geboden, waarvan de tekst verder onbekend is. Het boekje lijkt zijn titel Den christelijcken tyd-verdryver ofte geestelijk raedsel-boek, rechtstreeks te hebben ontleend aan de Duitse titel die ten grondslag ligt aan de Lusthof. Van dit boekje is slechts één exemplaar bekend, dat wordt bewaard in de bibliotheek van Tresoar (signatuur: Pa 1103).

Als bewerker wordt Dr. G.F. Leeuwenkamp opgevoerd, over wie niets naders bekend is. Hij sluit het boek af met een motto dat de beginletters uit zijn naam bevat: Gods, Freed’: Leert, Kennen.

Interessant is dat deze bewerker naast de vragen uit het Bloem-Hofje verschillende raadsels met bijbelse thema’s introduceerde die al langer in omloop waren, zoals het onderstaande raadselgedicht, dat is overgeleverd sinds de middeleeuwen in verschillende handschriften, maar dan telkens zonder oplossing:

    Raad. Mijn Vader won mijn te vooren,
Eer hy self was gewonnen of gebooren,
mijn Moeder ick segh u op dit pas,
droegh mijn eer sy selfs gedragen was,
Noch weet ick hoemen ’t verdroegh,
doen men de sesde part van de Wereld versloegh,
noch ben ick de selfde Man,
die mijn Groot-moeder de Maeghdom nam?

    Antw. De drie eerste vragen, is Cain, zijnde de eerste Soone van Adam, Adam en was niet gebooren, maar gemaeckt, hy was oock niet gewonnen, want hy heeft geenen Vader gehadt, Eva, en was niet gedragen: want sy en hadde geen Moeder gehadt. Als Cain zijn Broeder Abel doodt sloegh waren daar geen meer, dan ses Menschen in de Werelt, waar in doen de Werelt bestond, Abel is de eerste geweest, die in de buyck der Aarden is ingegaan, welck zijn Groot-Moeder was, Genesis 4.

Het raadsel over Lazarus is bekend uit de Joca Monachorum, maar Leeuwenkamp weet nog veel meer personen op te noemen die tweemaal gestorven zijn.

    Raad. Wien is tweemael gestorven en begraven?
    Antw. Lazarus: die de Heere Christus van den Dooden opwekten, naer dat hy drie dagen in het Graf gelegen hadde.

    Raad. Wat Menschen zijn Twee-mael gestorven, ende eens begraven?
    Antw. De Weduwen Soone van Zarephta, dien Elias van den Doodt opwekten, 1 Regum 18: 21, en 22, Den Soone van de Sunamatische Vrouwe, die Eliza van den Doodt opgewekt heeft, 2 Regum 4: 24, en 25. Der Weduwen Soone die by Nain uytgedragen wiert, ende het Dochterken van Jairus, welcke beyde Christus van den Doodt heeft opgewekt, Luce 8: 24, en 25. Insgelijcx Tabitha of Dorcas, die Petrus van den Dood heeft opgewekt, Actor. 92 vers 40. En Eutichus, die uyt een Venster Dood gevallen zijnde, van Paulus opgewekt wierde, Actorum 2: 10, 11, en 12. Dese alle zijn tweemael gestorven, en eenmael begraven.

De onderstaande spitsvondigheid omtrent het doopwater wordt al genoemd in een handschrift uit de 16e eeuw:

    Raad. Wanneer heeft het Water op het hooghste geweest?
    Antw. Doen Christus van Joannes gedoopt wierde, Matth. 3: 15.

Twee rijmende raadsels die al sinds de 16e eeuw in het Nederlands werden overgeleverd, hebben een veel oudere geschiedenis: het eerste is bekend uit de middeleeuwse rabbijnse literatuur, het tweede uit de laat-Byzantijnse (11e eeuw).

    Raad. Het Graf dat At,
die daer in sat die Badt,
het graf dat leefde,
die daer in sat die beefde?
    Antw. Den Walvisch At, en Jonas Badt, den Walvisch leefde, en Jonas beefde, Jona 2.

    Raad. Het was eenen houten Sleutel sterck
een water-slodt een wonder werck,
de Jagers quamen heel in Ly
en die gejaagt wierden gants vry, en bly.
    Antw. Als Godt de kindren Israëls door het Roode Meyr leyde, en van Pharao vervolght wierden, Exodi 14: 21.

Eveneens bekend uit de middeleeuwse rabbijnse literatuur en wijdverspreid (het is ook opgenomen onder de raadsels in het Exeter Book uit de 10e eeuw) was het bijbelse raadsel over de incest van Lot met zijn dochters:

    Raad. Mijn Vader was ook mijn Groot-Vader, mijn Moeder was oock mijn Suster, mijn Suster was ook mijn Moeders Suster, en ook mijn Moeye, mijn Broeder was ook mijn Moeders Broeder, en mijn Oom.
    Antw. Loth besliep beyde sijn Dochters, en genereerde by yder een Zoon, Moab en Ammon, Genesis 19.

Het navolgende raadsel was bijzonder populair: het is bekend in het Duits sinds de 15e eeuw, in het Nederlands sinds de 16e eeuw, en duikt ook op bij verschillende 17e-eeuwse schrijvers zoals Poirters, Van Huls, Bruno en Jonker. Het verband tussen dit raadsel en de bijbelaanduiding is niet duidelijk.

    Raad. Wat ick u vrage,
Een Boer siet het alle dage,
Een Koning het selden siet,
maar Godt nimmer niet?
    Antw. Een Boer siet zijns gelijcken al den dagh,
Een Koningh als het hem gebeuren magh,
maar Godt de Heer
nimmermeer, Daniel 4.

Afgezien van deze traditionele, rijmende raadsels heeft de auteur ook zelf vragen rijmend gemaakt met bemoedigende aansporingen zoals dan Studenten kloecke venten, of noch sonder schromen, of dan met verstandt.

    Raad. Noch op dit Pas, wien de eerste Schipper was?
    Antw. Noach, Genesis 7: 7.

Dan noch Studenten kloeck van Geest,
waar is d’ eerste Academie geweest?
    Antw. Aan den Toorn tot Babel, want daar wierden alle spraken en talen, in ’t kort geleert, Genesis 11.

Den christelijcken tijd-verdryver bevat nog een klein aantal raadselgedichten waarvan de herkomst niet duidelijk is; misschien zijn ze van de hand van Leeuwenkamp zelf.

    Raad. Een Boer was in ’t Veldt,
hy sagh des Vyandts hoopen,
af-komen met geweldt,
om te Plunderen en Stroopen,
doen daght die Ruuwen quandt,
dit sal ick u verleeren,
nam een stock in zijn handt,
gink haer daer meede te keeren,
ses hondert Velden hy neere,
die Doodt vielen in het Zandt,
dit is nu mijn begeere,
Raad Wien was desen quandt?
    Antw. Samger, een Boeren Soon, die versloegh ses Hondert Philistijnen, met eenen Ossen Stok, Judicum 3: 31.

Uytgekipte Raadzeltjes

In de herbewerking van de Christelijke tijdverdrijver, waarvan zo’n twintig uitgaven bekend zijn die dateren van 1738 tot 1870, is het aantal vragen weer gereduceerd tot 90 uytgekipte, curieuze of uitgezochte raadsels. De titel varieert: aanvankelijk luidde deze Christelijke tijdverdrijver of geestelijk raadselboek, en naderhand, doorgaans bij de Amsterdamse uitgaven, werd deze ook omgedraaid tot Geestelijk raadselboek of christelijke tijdverdrijver. De inleiding is, zij het in verkorte vorm, behouden, evenals de aansporing aan het einde. Er is wel een ander lied als toegift opgenomen, namelijk het godsdienstige lied O Jesu! die zo geerne naderd van de hand van de 17e‑eeuwse predikant Willem Sluiter, wiens werk populair was in de 18e eeuw.

De naam van de bewerker, Leeuwenkamp, is in deze latere drukken gereduceerd tot zijn initialen op het titelblad en de voornamen voluit onder de inleiding: Gerrit Fredrik of later ook Gerrit Frederik, en soms afgekort tot Gerrit Fredr. of Gerrit Frede. In sommige drukken worden ook de initialen niet vermeld op het titelblad, of verkeerd, als C. F. (na 1791) of als G. P. (na 1835). Deze laatste vorm heeft aanleiding gegeven tot de veronderstelling dat de literator Gerrit Paape (1752-1803) de bewerker zou zijn, maar dit ligt niet heel erg voor de hand, aangezien het raadselboekje al ouder is en ook nauwelijks is veranderd, en de initialen als drukfout kunnen worden verklaard.

In het exemplaar uit 1809 dat wordt bewaard in de Stadsbibliotheek van Haarlem (thans onderdeel van het Noord-Hollands Archief), zijn met pen correcties geschreven bij de vindplaatsen in de bijbel.

De Christelijke tijdverdrijver was blijkens zijn drukgeschiedenis lang populair. Een lezer van het tijdschrift De Navorscher (1857: 379) bericht dat “het Geestelijk Raadselboek nog in massa wordt verkocht, door ambulante bedelaars ten platten lande van Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen. Deze en meer dergelijke curieuse boekjes worden per riem afgeleverd, door de Wed. P. de Lange te Deventer; ieder Boekverkooper kan u een volledig stel dergelijke volkslectuur voor een bagatel bezorgen.” Blijkens een advertentie van de uitgever Holst kostte dit Geestelijk raadselboek rond 1850 slechts 5 cent. Maar niet iedereen waardeerde het boekje nog. Zo verzucht een andere lezer in dezelfde Navorscher (1857: 264): “Gelukkig dat er tegenwoordig, althans zoo verre ik weet, zulke boekjes niet meer bestaan.” Er zijn geen drukken bekend van na 1870.

Toegift: Godsdienstige grappen

Hoewel sommige vragen en raadsels (nu) komisch aandoen, zijn de meeste wellicht niet oneerbiedig bedoeld. Uiteindelijk wordt er toch telkens verwezen naar een vindplaats in de bijbel.

Schertsvragen rond bijbelse thema’s worden wel aangetroffen, maar niet in de schriftuurlijke raadselboekjes. De vroegste voorbeelden zijn afkomstig uit een handschrift uit de 16e eeuw uit de zuidelijke Nederlanden (het betreft het handschrift Ms. II 119 uit de Koninklijke Bibliotheek in Brussel). Helaas is het deel van dit handschrift waarin de raadsels stonden, zoekgeraakt. Er is mogelijk wel een 18e-eeuwse kopie bewaard gebleven (zie de aantekening in de BNM-I).

Ook verschijnen er enkele schertsvragen, naast schriftuurlijke vragen, in Gentse almanakken uit het einde van de 17e en begin van de 18e eeuw (bijvoorbeeld de Almanach ofte oprechten Nederlandtschen hemel-meter).

Een aantal godsdienstige schertsvragen is bekend uit een 16e-eeuws handschrift uit de zuidelijke Nederlanden.

Welk is het langste woort van de schrifture?
R. Alleluja, hetselve is dry ellen (LLL) lang.

Waerom heeft Adam in den appel gebeten?
R. Om dat hi geen mes hadde om te snyden.

Wanneer heeft het wijdwater de meeste craght?
R. Als het bevrosen is.

Waermede is den tooren van s. Donaes gedeckt?
R. Nieversmede, andersindts soude men hem niet sien.

Voorbeelden van schertsvragen uit almanakken zijn:

Nederlantschen Hemel-meter 1698 (september):
Wie steelt meest ontelbaer goet,
Die nochtans geen sond’ en doet?

Godt Almachtigh die steelt al de Appelen ende Peeren die met hun stelen aende boomen hanghen.

Nederlantschen Hemel-meter 1725 (oktober):

GERAEDTSEL.
Godt Schepten Adam een groot man,
Seght ons hier eens de reden van.
ANTWOORDE.
Godt heeft Аdam eenen volkomen man geschapen, en niet een kleyn Kindt, om dat hy geen moeder hadde om hem te vaegen, want eenen man kan dat selver doen, daer een kleijn kindt in alles noodigh heeft eens anders hulpe.

Deze laatste almanak geeft ook een raadsel op dat refereert aan een middeleeuwse traditie dat Cain zijn broer Abel doodsloeg met het kaakbeen van een ezel. De bijbel laat zich hier niet over uit, en noemt enkel Samson die de Filistijnen met het kaakbeen van een ezel versloeg.

Nederlantschen Hemel-meter 1725 (oktober):

GERAEDTSEL.
Seght eens Leser op dit cas,
Wie den eersten Dooden was?
ANTWOORDE.
Eenen Ezel, want volgens de Scriftuere Abel heeft synen Broeder Cain met het kaecksbeen van eenen Ezel doodt geslaghen vervolgens den Ezel moest eerst doodt zyn.

De volledige tekst van enkele religieuze raadselboekjes is te lezen op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden:

Daar staat ook een uitvoeriger artikel over dit genre: Kleyne Bloem-hofje ofte Schriftuurlijck Raetsel-boeckje en Den Christelycken Tyd-verdryver ofte Geestelijk Raedsel-boek

Dit bericht is geplaatst in artikel met de tags , , . Bookmark de permalink.

2 Responses to Bloemhofjes en Tijdverdrijvers: Schriftuurlijke Raadsels

  1. M. Helder schreef:

    Leuk dit! Kleine correctie: ‘O Jesu*s* die *soo* geerne nader*t*’ is geen psalm. Psalmen zijn oudtestamentische teksten en daarin komt Jezus uiteraard niet voor.

  2. Marti Roos schreef:

    Hartelijk dank voor de toelichting omtrent de term “psalm”. De passage is nu gewijzigd naar “godsdienstig lied”. De weergegeven regel van het lied is geciteerd naar het raadselboekje van Kannewet, en wijkt inderdaad af van de oorspronkelijke tekst!

Laat een reactie achter