Als ik jou was, vertakte de tijd

Door Marc van Oostendorp

In het Nederlands is, net als in veel andere talen, iets vreemds aan de hand met de vorm van het werkwoord die we ‘verleden tijd’ noemen. Je kunt hem ook gebruiken voor dingen die in het verleden helemaal niet hebben plaats gevonden:

  • Als we nu naar huis gingen, zouden we veel problemen voorkomen.

Dat het niet over de verleden tijd gaat, blijkt in dit geval al uit het gebruik van het woordje nu. Het is zelfs lastig om dat nu te vervangen door gisteren: in dat geval moet je ook de tijd van het werkwoord veranderen in ‘voltooid verleden tijd’ (‘Als we gisteren naar huis waren gegaan’).

De verleden tijd gebruik je met andere woorden niet alleen om daadwerkelijk de verleden tijd aan te duiden, maar ook als een irrealis. Andere talen doen het ook; vertaal bovenstaande zin voor de grap maar eens in het Engels of het Daakaka.

Baaierd

Hoe zit dat in elkaar? Het verleden en de irrealis hebben iets gemeen, namelijk dat ze zaken behelzen die nu niet aan de orde zijn. Het verleden is in zekere zin ook onwerkelijk. Het probleem is echter: de toekomst is dat evenmin, en misschien nog wel minder, en toch kun je niet zeggen ‘ik kwam morgen’.

In het nieuwe nummer van Linguistics and Philosophy komt de semanticus Kilu von Prince met een intrigerende theorie: het heeft iets te maken met het voortdurend vertakken van de tijd.

Je kunt je de werkelijkheid voorstellen als een zich almaar verder vertakkende boom: de big bang is de bodem en wij zitten nu (nu!) met zijn allen op een van de vele blaadjes . Je zou op dit moment (op dit moment!) kunnen besluiten op te houden met lezen, maar je hebt duidelijk besloten nog even door te gaan. De werkelijkheid heeft zich dus zojuist in tweeën vertakt, en wij zitten op een van de twijgjes (die waarin je doorging met lezen). Deze eigenschap van onze perceptie van de werkelijkheid maakt dat we kunnen terugkijken op een vaststaand verleden (dat is de enige lijn van het begin der tijden tot aan nu, met bij iedere vertakking de juiste afslag, dat wil zeggen de afslag die naar ons blaadje leidt), maar de toekomst is altijd een baaierd aan steeds nieuwe twijgjes.

Kwantummechanica

Het idee van von Prince is nu dat de ‘verleden tijd’ verwijst naar een punt in het verleden, en naar alle takken die uit dat punt voortgekomen zijn, inclusief de vele (altijd de meerderheid) die niet tot het heden heeft geleid. ‘We gingen naar huis’ zegt dus: in het verleden, of een van de punten die uit dat verleden voortkwamen behalve het actuele heden, is er een situatie waarin we naar huis gaan.

Von Prince laat zien dat je vooral de manier waarop de Simple Past in het Engels werkt (‘we went home’, ‘if we all went home, this square would be empty’) goed kunt beschrijven met dit model. Er zijn wel een paar zaken die nog last zijn. Wanneer ik zeg ‘als ik jou was, ging ik de bloemetjes buiten zetten’, naar welk punt in het verleden verwijs ik dan? Het punt waarop het nog mogelijk was dat jij en ik van identiteit zouden verwisselen? Maar is zo’n punt er ooit geweest? Zit aan de boomstam van de werkelijkheid wel een dergelijk takje?

Maar vooral: die vertakkende tijd is, bij mijn weten, een redelijk plausibel natuurkundig model (het lijkt mij een simpele versie van de kwantummechanica), maar hoe waarschijnlijk is dat de menselijke geest, die dit al eeuwen in allerlei talen op deze manier produceert, de tijd ook zo ervaart?