Onderwerp en persoonsvorm als ANWB-echtpaar: een pleit voor meer narratieven in het grammaticaonderwijs

Door Henk Wolf

Leerlingen die goed zijn in ontleden, zijn niet altijd goed in ontleden. Zeker, ze kunnen een hoog cijfer verdienen door zorgvuldig geselecteerde woorden en zinsdelen in speciaal geconstrueerde zinnetjes juist te benoemen. Maar vaak snappen ze niet wat er nou eigenlijk in een zin gebeurt.

Het probleem

Een kleine illustratie: ooit vroeg ik een groep eerstejaarsstudenten Nederlands tijdens hun eerste studiedag om me te vertellen wat een lijdend voorwerp was en een meewerkend voorwerp en een voorzetselvoorwerp. Op die vragen kwamen antwoorden die getuigden van een goed geheugen, maar niemand wist me een antwoord te geven op de vraag wat nou eigenlijk een voorwerp was – zonder iets van lijdend of meewerkend ervoor. Of een bepaling. Het is alsof ze een herdershond en een keeshond kunnen onderscheiden, maar geen idee hebben dat er een zoiets als een hond bestaat.

Dat neem ik die studenten niet kwalijk. Ze hebben nooit grammaticaonderwijs gehad dat gericht was op het begrijpen van het zinsbouw, althans de grote meerderheid niet. Ze hebben trucjes en ezelsbruggetjes geleerd waarmee ze in die speciaal geconstrueerde zinnen uit het leerboek redelijk adequaat de juiste etiketjes op woorden en zinsdelen konden plakken. Als ik dan een willekeurige roman uit de kast pak, die zomaar ergens opensla en ze vraag om de zinnen op die pagina mondeling te ontleden, lopen ze vrijwel zonder uitzondering allemaal vast. Idem als ik ze vraag om een Engelse of Franse zin te ontleden.

Een oplossing?

Wat mij betreft focussen we in het onderwijs minder op al die gedetailleerde vaktermen. Het is fijn als een leerling eerst begrijpt wat voorwerpen in zinnen voor dingen zijn, dan de term voorwerp leren en daarna eventueel pas soorten als meewerkend voorwerp, oorzakelijk voorwerp en belanghebbend voorwerp leert onderscheiden.

Wat mij betreft introduceren we ook het narratief (verhaaltje, metafoor) als didactisch middel in het grammaticaonderwijs. Ik gebruik het al en mijn ervaring is dat het aardig werkt om begrip te laten ontstaan. Af en toe dragen studenten ook heel geschikte narratieven aan, die ik dan weer gebruik. Een van m’n favorieten is het narratief van onderwerp en persoonsvorm als typisch middelbaar echtpaar met een ANWB-lidmaatschap. Draagt de een een blauwe jas uit de ANWB-winkel, dat heeft de ander er ook zo een aan. Wisselt de een die in voor een rode, dan volgt de ander. Zo hebben onderwerp en persoonsvorm ook altijd de meervoudsvorm, óf allebei de enkelvoudsvorm. Het narratief werkt voor elke taal, zonder ezelsbruggetje of trucje.

Het is een keuze om congruentie via dat narratief als definiërende eigenschap van de persoonsvorm te kiezen. Die keuze kun je gerust kritiseren. Vind je als leraar tijdsmarkering (verleden, tegenwoordige en eventueel toekomende  tijd) typerender voor de persoonsvorm, dan bouw je daar een narratief omheen. Ook prima.

De praktijk

Zulke narratieven kun je aanpassen aan de doelgroep. Je kunt ze didactiseren voor elke leeftijdsgroep, met plaatjes of vertellinkjes. En als het narratief een basis heeft gelegd, kun je daarop verderbouwen door te abstraheren, door meer vaktermen toe te voegen, zodat er op een gelaagde manier kennis en inzicht ontstaat van wat we nou eigenlijk onbewust allemaal doen als we een zin bouwen.

Wie gewend was aan trucjes en ezelsbruggetjes, moet soms erg wennen aan zo’n andere benadering. Er zijn leraren die deze didactisering ‘infantilisering’ hebben genoemd. Ik denk dan: ik doe wat werkt. En deze didactisering werkt, althans ze werkt voor mij beter dan andere methoden. Ik pleit dan ook voor meer narratieven. Ik heb er al verscheidene, maar ik kan er altijd meer gebruiken.

Daarom een oproep: wie heeft er meer geschikte narratieven om delen van de grammatica inzichtelijk te maken voor beginnende leerders? Voorwaarden zijn dat de narratieven taaloverstijgend moeten werken en dat ze herkenbaar en duidelijk zijn voor een grote groep leerders van uiteenlopende leeftijden en opleidingsniveaus.