Goedgehumeurd lulkoek vertrappend

(Weer es wat over de (letterkundige) neerlandistiek)

Door Jos Joosten

In een essay in de recente Nederlandse Boekengids zoekt Piet Gerbrandy naar oorzaken van wat inmiddels buiten de wandelgangen de ‘crisis in de neerlandistiek’ wordt genoemd. Gerbrandy is eminent poëziecriticus voor De Groene en dichter van een oeuvre dat stilaan wel aan de Constantijn Huygensprijs toe is. Niettemin heeft hij hier toch een raar stuk het licht doen zien! Tijd om zijn essay onder de loep te nemen, ‘goedgehumeurd lulkoek vertrappend’, naar de woorden van de dichter zelve in zijn debuutbundel.

Gerbrandy meent vier oorzaken te kunnen aanduiden van de geringe attractiviteit van het vak Nederlands op scholieren:

  1. jongeren wordt geleerd dat alles ‘leuk’ moet zijn en dienen zich niet meer tot iets lastiger behapbaars, zoals literaire teksten te zetten;
  2. binnen het vigerende economische paradigma is kennis, laat staan studie, van letterkunde irrelevant geworden: ‘wie echt iets kan, gaat natuurlijk bedrijfskunde, ICT of geneeskunde studeren. Daarvoor heb je, zo redeneert men, geen kennis van Racine, Kafka of Reve nodig’;
  3. een belangrijke oorzaak ligt binnen de Academie zelf, namelijk in wat Gerbrandy betitelt als ‘postmoderne ideologiekritiek’. Hij stelt: ‘Anders dan de eerste twee factoren speelt het in de academische wereld zo fanatiek gevoerde debat hierover niet direct een rol op middelbare scholen, maar indirect valt de invloed niet te onderschatten, omdat naar aanleiding van dat debat de status van literatuur nu permanent ter discussie staat’;
  4. ten slotte lijden wij allen onder de typisch Nederlandse ‘schroom om trots te zijn op eigen taal en literatuur’.

Over nummer 1, 2 en 4 zullen we het snel eens zijn, denk ik. Ook Gerbrandy staat in de rest van zijn beschouwing alleen nog stil bij numero 3: de academische praktijk van de (letterkundige) neerlandistiek. Dat deel – en helaas is dat veruit het grootste – is nou niet het overtuigendste en meest afgewogen stuk van zijn beschouwing. 

Gerbrandy schetst allereerst wel erg zouteloze contouren van de vakbeoefening, waar hij een aantal zeer gewaardeerde onderzoekers als Saskia Pieterse, Inger Leemans en Gaston Franssen ronduit onrecht doet. (Zeker als je het onderzoek van hen wél kent, is dat niet alleen tamelijk onwellevend van Gerbrandy, maar vooral ook pijnlijk vóór Gerbrandy.)

Meer principieel zijn de bezwaren die aan te voeren zijn tegen de kern van zijn pleidooi. Daarvoor is het goed wat langer stil te staan bij een sleutelpassage uit zijn essay.

Laten we om te beginnen constateren dat nadenken over machtsverhoudingen, impliciete waardeoordelen en de totstandkoming van de literaire canon belangrijk en heilzaam is. Bij het lezen van Hadewijch, Baudelaire of Toni Morrison is het zinvol aandacht te besteden aan de cultuurhistorische context van hun werk, hun al of niet met zoveel woorden uitgedrukte visies op seksualiteit, racisme en economische structuren, en aan de vaak ideologisch gekleurde receptie van hun teksten, waarbij de lezer zich bij voortduring moet afvragen waar zijzelf precies staat. 
(…)
Maar moeten we echt zo ver gaan te beweren dat literaire kwaliteit geheel op sociaal-politieke vooroordelen berust? Willen we serieus volhouden dat Ronald Giphart en Saskia Noort evenveel aandacht verdienen als Dante en James Joyce? Moet de sociologische focus op ‘het veld’ in de plaats komen van nauwgezet en sensitief leren lezen? En is gedegen kennis van de literaire traditie werkelijk passé?

Gerbrandy is classicus en dus doorkneed in de retorica. Dat verklaart het eerste deel van het citaat, zijn louter symbolische erkenning, namelijk, dat nadenken over machtsverhoudingen en canonisering ‘belangrijk en heilzaam’ zou zijn. Uit Gerbrandy’s hele pleidooi voor ‘stoffige filologie’ blijkt immers dat hij dat ronduit flauwekul vindt. En het rijtje retorische vragen dat volgt vormt de opmaat voor die stelling.

Laten we met het misverstand aan het slot beginnen. Vastgesteld kan worden dat ‘gedegen kennis van de literaire traditie’ nog altijd de kern uitmaakt van het academisch onderwijs in de Nederlandse letterkunde – dat is zo in onze Nijmeegse opleiding en volgens mij weinig anders bij de collega’s elders in den lande.

Minstens zo belangrijk is dat niemand beweert dat literaire kwaliteit ‘geheel op sociaal-politieke vooroordelen berust’. Vooral het woordje ‘voor-oordelen’ sluipt hier geniepig binnen. Het suggereert kwade wil, handjeklap, onbetrouwbaarheid. Maar daar gaat het helemaal niet om. Wat momenteel wél in veel onderzoek, van zeer uiteenlopende aard, gebeurt is trachten aan te geven waar zich de individuen of instituties bevinden die maken dat literatuur tot literatuur wordt. 

Het op zich toch niet zo heel opzienbarende gegeven dat literaire waarde niet intrinsiek is, maar toegekend wordt, is een totale schok waar Gerbrandy en zijns gelijken nog altijd niet overheen zijn. Ik op mijn beurt word evenmin moe te herhalen dat ik niks van die schok begrijp. Als ik in huis ‘nauwgezet en sensitief’ Blake, Baudelaire of Rimbaud zit uit te pluizen, dan wordt mijn plezier er echt niet minder op als ik me realiseer dat het hier van begin (handgeschreven op papier) tot eind (vertaalde verzamelde gedichten) mensenwerk betreft.

Los van dat (particuliere) gegeven valt er nog wel wat meer te filosoferen over die tegenstelling intrinsiek versus institutioneel. Allereerst betwijfel ik ten zeerste of een universitair curriculum dat nadrukkelijk focust op literaire-tekstanalyse scholieren massaal voor de studie Nederlands zal doen kiezen. Voorts is narratologie en poëzieanalyse (in Nijmegen althans, maar ik vermoed elders evenzeer) nog altijd vast en verplicht onderdeel van de studie, maar wél op de plaats die het, wat mij betreft, toekomt: als middel en niet als doel op zichzelf

Zelf ben ik nog van een generatie neerlandici voor wie proza- en poëzieanalyse het grootste (keuze)deel van de studie uitmaakte. Met nijvere, nauwgezette docenten werd verhaal na verhaal geanalyseerd: dan eens een verhalenbundel van Hermans, dan weer de Wintervertellingen van Reve of Vestdijks novellen. Literair lopendebandwerk. Perspectief? Check! Tijd en ruimte? Check! Enzovoorts check. Een klasse apart waren zonder meer de poëziecolleges van Kees Fens. Maar uiteindelijk waren ook daar alpha en omega de teksten en die zijn – als analyseobject! – natuurlijk uitwisselbaar. 

Interessant vond ik als student een reeks die Fens had aangekondigd over de poëzie van Hendrik de Vries. Na een paar colleges stopte hij al: die teksten bleken toch minder literair dan hij meende. De dappersten onder ons vroegen: ‘Maar waarom dan? Wáár zit hem dat literaire?’ Het antwoord was rijkelijk vaag: ‘Nou ja, gewoon…’ En uiteindelijk apodictisch: ‘dat zien jullie zélf toch ook wel?’

Wanneer ik mensen zoals Gerbrandy hoor praten over de zegeningen van ‘nauwgezet en sensitief’ lezen, moet ik altijd denken aan een anekdote die ik ooit hoorde over Ernst Happel. Die liet als nieuwe trainer bij een club een flesje op de lat zetten en schoot dat er van dertig meter afstand vanaf, en nog eens en nog eens: dat de spelers maar wisten dat hij het technisch heus allemaal onder de knie had. En dan begon het echte werk: tactiek, strategie, spelinzicht.

Binnen de neerlandistiek is de werkimmanente analyse in de jaren zestig beslist zeer zinvol geweest, met de analyses van Merlyn en een onomstreden standaardwerk als Sötemanns De structuur van Max Havelaar Bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman uit 1966 voorop. Tegelijk zie je daar meteen de beperking: Sötemanns studie was het schoolvoorbeeld van een prachtanalyse. Net als op het gebied van de poëzie de analyse die Jakobson en Lévi-Strauss maakten van Baudelaires ‘Les Chats’. Virtuoos in hun soort, maar eenmaal gedaan: klaar. Wat had Sötemann hierna gemoeten? De structuur van Eline Vere, van Kind tussen vier vrouwen en ten slotte van De aanslag?

Sötemanns werk is te bewonderen als historische klassieker. Een recente studie als Sander Bax’ De literatuur draait door (waarover beslist valt te discussiëren), met zijn aandacht voor het functioneren van auteurs als Herman Koch, Kluun en (inderdaad) Saskia Noort is voor de literatuurwetenschapper maar ook de literatuurliefhebber anno nu honderd keer interessanter, relevanter en urgenter dan Sötemanns proefschrift.

Elke bijdrage die nieuwe inzichten biedt op de relevantie van de universitaire studie Nederlands is natuurlijk te prijzen – maar bij Gerbrandy zien we toch wel erg ouwe wijn en een dito zak. Waarbij uit zijn wel zeer kort-door-de-bochte- parafrase van Thomas Vaessens’ Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur vastgesteld mag worden dat het ‘nauwgezet en sensitief lezen’ er bij hem ook nog weleens bij inschiet.

Goed lezen is voor studenten én wetenschappers even belangrijk als feilloos een flesje van de lat kunnen schieten – in de wetenschap dat de training, het echte spelinzicht en de wedstrijden dan pas beginnen.