Gedicht: Jan Veth • Rembrandt’s Sybille

Rembrandt’s Sybille

Wat peinst gij, jonge en paarl-omschenen Vrouwe,
Wier aanschijn, in doorluchte duisternis
Gedompeld, sidderend en ongewis,
Ootmoed en wijsheid spelt en droef betrouwen?

Wie zijt gij, met die vreemd getrokken brauwen,
Boven die oogen, waar geen glans in is, —
En welk gemurmel van geheimenis
Liet zulk een weemoed op uw wangen dauwen?

Zijt gij de Geest van vagabondiesch droomen,
Die tot de kusten rijkt, waar wonderlijk
Uit grauwe raadslen gulden lichten doornen?

Of de Gezalfde zelve uit Rembrandts Rijk,
Waar ’t murwe, weelde nog van schoonheid vangt,
En smart een hooger gloor dan vreugde erlangt!

Jan Veth (1864-1925)
uit: De zwerver spreekt (1920)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

2 Responses to Gedicht: Jan Veth • Rembrandt’s Sybille

  1. DirkJan schreef:

    Ik vroeg me af welk schilderij de dichter van Rembrandt bedoelde, maar wat ik ook google ik kom van de schilder geen werk tegen waarop een (de) Sybille staat afgebeeld. Kan ook niet vinden of het om een werk gaat dat wellicht vroeger nog aan Rembrandt werd toegeschreven. In een facsimile van het gedicht staat het wel onder de rubriek ‘schilderijen’ en kan het dus ook niet een ets zijn van zijn moeder waarvan ik bij de Dbnl in een citaat vond dat ze eruit zag als Sybille.

Laat een reactie achter