Een glas mineraalwater: het internationale landstaalbeleid van Nederland en Vlaanderen

Door Lars Bernaerts, Iris van Erve, Jan Konst, Henriette Louwerse, Jelica Novakovic, Els Stronks en Johan Vanparys
(Bestuur IVN)

Vierenhalve cent – wanneer je het uitschrijft lijkt het nog wat, maar het is natuurlijk bitter weinig. Wat kun je met € 0,045 doen? Wanneer vijftig mensen dit bedrag inleggen, kunnen ze op een terras in Amsterdam of Antwerpen samen een glas mineraalwater bestellen. Vierenhalve cent. Zo veel investeerden in 2018 de Nederlandse en de Vlaamse overheid gezamenlijk per hoofd van de bevolking in de universitaire studie van het Nederlands buiten het eigen taalgebied. Dat blijkt uit het rapport Talenbeleid in Europa dat de Taalunie een paar dagen geleden publiceerde. In een Europees perspectief is dit bedrag, dat in 2010 bovendien nog dubbel zo hoog was, extreem laag. Portugal bijvoorbeeld investeert het veertigvoudige, en Duitsland trekt zelfs zeventig keer zo veel uit voor het internationale landstaalbeleid. 

De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) behartigt de belangen van 14.000 studenten Nederlands en hun docenten aan wereldwijd meer dan tweehonderd universiteiten. Wij zijn blij met het onderzoek van de Taalunie, dat objectief aantoont dat de regeringen in Den Haag en Brussel nauwelijks middelen reserveren voor het onderwijs in het Nederlands buiten de eigen landsgrenzen. En dat sinds 2010 nog veel minder zijn gaan doen. Niet minder ingenomen zijn we met twee andere onderzoeken die tegelijk met het zojuist genoemde rapport het licht zagen. Ze beschrijven de rol en de betekenis van de universitaire neerlandistiek in Italië en Polen en laten niet alleen zien dat de betreffende opleidingen inhoudelijk actueel zijn, maar ook dat Italiaanse en Poolse neerlandici goede kansen op de arbeidsmarkt hebben.

Is het erg dat Nederland en Vlaanderen zich financieel zo terughoudend opstellen? Met een beetje cynisme zou je kunnen zeggen: nee. De tweehonderd vakgroepen wereldwijd worden immers gefinancierd door de onderwijsbudgetten van nationale overheden en functioneren kennelijk ook zonder Nederlandse en Vlaamse steun. De Taalunie kiest een ander standpunt. Zij neemt geen blad voor de mond en benoemt de gemiste kansen van het huidige beleid: 

Waar bij de vorige editie van deze studie geconcludeerd kon worden dat de Taalunie met relatief weinig geld relatief veel tot stand bracht, moet nu de conclusie simpelweg zijn dat het Nederlandse taalgebied vergeleken met andere landen zeer weinig in het buitenlandse onderwijs van de eigen taal investeert. Dat is ook voelbaar bij de uitvoering van het beleid. De rek is eruit. Bij alle bestaande financieringen moet steeds de kaasschaaf worden gehanteerd. Nieuwe kansen kunnen nauwelijks worden benut.

Ook voor de IVN lijdt het geen twijfel dat er méér geld voor het onderwijs in het het Nederlands buiten het taalgebied vrijgemaakt moet worden. Terwijl de landen om ons heen de ‘soft power’ van een internationaal taalbeleid allang hebben ontdekt, blijven Nederland en Vlaanderen te veel hangen in de overtuiging dat ‘onze’ taal alleen interessant is voor eigen publiek. De rapporten van de Taalunie maken duidelijk dat dat niet alleen onverstandig, maar vooral ook onjuist is.

De Taalunie-rapporten zijn een oproep om te investeren in een internationaal taal- en culturenbeleid voor de Lage Landen. Als wij achterblijven, dreigt ons netwerk van tweehonderd plaatsen wereldwijd te worden ingenomen door andere landen, landen die wél inzien dat er een race om ‘soft power’ gaande is. Dat taal een ‘soft asset’ is waarin morele, culturele en politieke overtuigingen worden uitgedrukt en overgebracht. En dat er studenten zijn – overal ter wereld, maar vooral in Europa – die het Nederlands willen leren en zich interesseren voor de Nederlandstalige culturen.

Om het voortbestaan van ons netwerk op de middellange termijn veilig te stellen moeten we in een stage- en lectorennetwerk investeren, de suppletieregelingen voor neerlandici uit Nederland en Vlaanderen in zogenaamde lagelonenlanden schieten ernstig tekort, de optie (taal)docenten uit te zenden moet opnieuw op de politieke agenda, het is belangrijk dat er vanuit het moedertaalgebied meer studenten- en docentencursussen aangeboden worden, de academische samenwerking tussen binnen- en buitenlandse afdelingen neerlandistiek dient versterkt en een structurele ondersteuning van tijdschriften en publicatiereeksen is noodzakelijk.

Maar waarom zouden de regeringen van Nederland en Vlaanderen gehoor geven aan deze oproep? De Taalunie kiest in de onderzoeksverslagen over Italië en Polen voor een taal die we in de Lage Landen uitstekend beheersen: de taal van de centen. Zij laat zien dat er met de studie van het Nederlands in deze landen niet in de eerste plaats culturele belangen gemoeid zijn, maar dat er vooral ook van een economische impact sprake is. Italiaanse en Poolse neerlandici gaan bijvoorbeeld werken bij Nederlandse en Vlaamse multinationals, ze komen terecht in de handel of het toerisme en een aanzienlijk aantal van hen vindt emplooi als tolk of vertaler. De internationale neerlandistiek heeft dus een ‘meerwaarde’ die verdedigd moet worden.

Als IVN onderkennen we dat natuurlijk ook, maar daarnaast zien we een specifiek Europees perspectief. Wat is Europa? Een politieke eenheid, uiteraard, een economische alliantie en misschien zelfs wel een gemeenschap van gedeelde waarden. Maar Europa is óók een verbond van onafhankelijke nationale identiteiten en historisch verankerde landstalen. Aan deze veelheid en verscheidenheid, die voor ons inherent aan Europa is, dragen wij in ons onderwijs en onderzoek bij door de focus op de Nederlandse taal en de Nederlandstalige culturen te leggen. Wij zouden willen dat de Nederlandse en Vlaamse overheid dat in de financiële zin des woords ook doet, in ieder geval in een sterkere mate dan dat dat nu het geval is. ‘Co-operation,’ zegt het Portugese Instituto Camões, ‘should be seen as an investment and not as an expense.’ Precies zo is het. Of met andere woorden: nu nog delen we op het Leidseplein en op de Groenplaats met z’n vijftigen één mineraalwater, maar zou de internationale neerlandistiek niet zo veel waard moeten zijn dat ieder een eigen glas kan bestellen?

Een ingekorte versie van dit stuk verscheen in de Volkskrant en in De Morgen.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter