Nem slapen!

Door Marc van Oostendorp

Nene is vijf jaar, ze is geboren in Hongarije, en ze is net begonnen met Nederlands te leren. Ze begint met woorden die ze nuttig vindt. Hoewel ze best begrijpt wie ik bedoel als ik hondje en poesje zeg, vindt ze die woorden te raar om te herhalen. Die beestjes heten immers kutya en cica, en iedereen die ze kent begrijpt wat ze bedoelt. Er is dus geen reden om iets anders te zeggen.

Anders is dat met woorden waarmee ze een effect kan bereiken. Met aardbeien en appel verkrijgt ze sneller resultaat met dan met epen en alma en dat werd dan ook haar eerste actieve woord Nederlands; Skinner heeft toch niet helemaal voor niets geleefd. Zulke dingen gelden ook voor bepaalde abstractere concepten, zoals lekker, vies en mooi, die duidelijk kunnen maken waarom bepaalde zaken in de supermarkt wel of niet moeten worden aangeschaft. Iets wat heel abstract is, maar Nene heel snel heeft geleerd: het verschil tussen op (het eten is op) en klaar (ik ben klaar met eten).

Een tussenstatus heeft speeltuin; ze weet dat de volwassenen die haar begeleiden begrijpen als ze vraagt om de játszótér, en dus gebruikt ze dat woord, maar als die volwassenen in lopende spraak de Nederlandse versie gebruiken (‘Als ze dan zo graag wil, kunnen we misschien vanmiddag nog heel even naar een speeltuin hier in de buurt gaan’), reageert ze daar onmiddellijk op.

Zoals ze sowieso dingen duidelijk oppikt. Ze kijkt naar een aflevering van Peppa de Big, die haar grotendeels moet ontgaan, omdat hij over een planetarium gaat en allerlei termen bevat die ze nooit heeft gehoord. Maar zodra koekjes zegt, zegt Nene ook: koekjes.

Koppelwerkwoord

Wat ook grappig is om te horen: alle werkwoorden staan in de infinitief: slapen, eten, drinken, spelen. Het is natuurlijk bekend dat dit zo is bij kindertaal en bij mensen die het Nederlands als vreemde taal leren – dus al het is niet gek als dit zo is bij personen die in de doorsnede van die twee verzamelingen zitten –, maar toch is het een klein wondertje als je ziet dat ook dit ene kind, dit ene individu uit het enigszins ongestructureerde aanbod van de volwassenen om haar heen deze woorden haalt.

Het woord slapen is in haar taal een negatief polaire uitdrukking: het komt alleen voor achter een ontkenning. Die ontkenning is zelf vooralsnog in het Hongaars: nem slapen! In het algemeen heeft ze een strikt onderscheid tussen inhoudswoorden en functiewoorden. De laatste zijn vooralsnog Hongaars, want haar hele grammatica is nog Hongaars. Als ze wil wijzen op een bloemenperk dat ze de moeite waard is, zegt ze az mooi, letterlijk: “Dat mooi”, want het Hongaars heeft geen koppelwerkwoord in dit soort constructies.