‘Jozef Rotschild’ (1839)

Jeugdverhalen over joden (38)

Door Ewoud Sanders

‘Jozef Rotschild’ (1839)
Auteur: naar alle waarschijnlijkheid Everhardus Molema (1803-1869)

Herkomst en drukgeschiedenis

Everhardus Molema was hoofdonderwijzer op een school in Finsterwolde (Groningen). In 1839 begon hij, samen met de Voorburgse onderwijzer Hemke Hemkes (1807-1889) een schooltijdschrift getiteld Letteroefeningen voor de jeugd, voornamelijk ten dienste van gevorderde leerlingen der lagere scholen en van hen, die de lagere scholen reeds verlaten hebben.

Doel van dit tijdschrift was om jonge kinderen de mogelijkheid te bieden ‘om uwe kennis verder uit te breiden en uwe harten voor het ontvangen van zedelijke indrukken te openen’, aldus het voorwoord. Het motto, afgedrukt op de titelpagina, luidt: ‘Stilstand is achteruitgang’.

‘Jozef Rotschild’ is een verhaal in dichtvorm. Het heeft een spreekwoord als ondertitel: als de nood op het hoogste is, is de uitkomst het naast bij. Het gedicht is niet ondertekend maar is naar alle waarschijnlijkheid van Molema, want hij publiceerde vaker jeugdpoëzie. ‘Jozef Rotschild’ is gebaseerd op een sage (zie hieronder).

Letteroefeningen voor de jeugd verscheen bij uitgeverij J.B. Wolters in Groningen. Anders dan de uitgever en samenstellers hadden gehoopt, bleef het bij één nummer.

Samenvatting

‘Jozef Rotschild’ bestaat uit twintig coupletten van vijf regels. Het gaat over een ‘arme jood’ die in Presburg woont. Dat is de historische naam van Bratislava, de hoofdstad van Slowakije.

Door pech in de handel raakt Jozef ‘zijn krediet en nering’ kwijt. Dit komt slecht uit, want zijn vrouw is hoogzwanger. Daarom besluit Jozef naar het nabijgelegen Wenen te gaan, om bij andere joden hulp te vragen.

Drie dagen nadat hij is vertrokken, bevalt zijn vrouw van een zoon. Zij en haar kind hebben ‘gebrek aan alles’.

Maar moederliefde houdt toch stand;
Maar moederzorg weet raad:
Zij grijpt terstond, met zwakke hand,
De pen, en schrijft, in korten trant,
Haar Jozef, hoe ’t hun gaat.

’t Adres meldt Jozefs naam alleen
Te Weenen, zonder meer.
En waar doolt nu de tijding heên?
O wonder toeval! neen, o neen,
Zoo wil het God de Heer.

De brief wordt bezorgd bij de Weense bankier en filantroop (Salomon Mayer) Von Rothschild.

Het treurig nieuws komt regt van pas;
Von Rotschild krijgt den brief.
En schoon dit bij vergissing was,
’t Blijkt, dat hij d’ inhoud gaarne las;
Want weldoen was hem lief.

De ‘menschenvriend’ Von Rothschild stuurt meteen honderd gulden naar Jozefs vrouw. Hij laat Jozef opsporen in Wenen en bij zich brengen. Tegen de verbijsterde Jozef zegt hij ‘op gullen toon’:

‘Hoor, vriend!’, zegt lagchend de ed’le man,
‘Uw zoon behoeft een’ peet.
Hier staat hij, die u helpen kan.
Noem voortaan zijn’ vader dan;
God wil ’t! ik ben gereed.’

Samen met de brief geeft de bankier Jozef ‘een geschenk’.

‘Dat gaat toch boven mijn verstand!’
Roept Jozef, kust zijns redders hand,
En dankt hem duizend keer.

Moraal:

Welaan, in nood op God vertrouwd,
Die deugd met vlijt verbindt!

Sage

Het gedicht ‘Jozef Rotschild’ is gebaseerd op een sage die vanaf 1839 in heel Europa de ronde deed. Het verhaal is te vinden in Franse, Engelse, Duitse en zelfs in Russische bronnen.

In Nederland stond het tussen 14 en 19 april 1839 in minstens zeven Nederlandse ‘couranten’: de Arnhemsche, Groninger, Middelburgsche, Overijsselsche, Utrechtsche, Vlissingsche en de Zierikzeesche Courant. Aangezien Molema in de provincie Groningen woonde, is het aannemelijk dat hij zich heeft gebaseerd op de Groninger Courant van 16 april 1839.

Daarin wordt ‘Josef Rothschild’ een ‘arme koopman’ genoemd; Molema noemt ‘Jozef Rotschild’ een ‘arme jood’. Het krantenbericht, dat in alle kranten gelijk was, eindigt als volgt: ‘De arme koopman schrikte niet weinig, toen men hem naar zijnen naamgenoot bragt. De bankier ont­ving hem met edele vrolijkheid en wenschte hem geluk met de geboorte van zijnen zoon. Natuurlijk geraakte de arme man nog meer in verlegenheid. “Daar gij nu toch eenen peet behoeft, zoo neem mij daarvoor; de zorg voor de toekomst des kleinen wereldburgers zij mij overgelaten”, sprak lagchend de edele menschenvriend, terwijl hij den verrasten gelukkige den brief zijner vrouw benevens een aanzienlijk geschenk overhandigde.’

In een Franse en Duitse krant komt de arme koopman Jozef niet uit Presburg in Slowakije, maar uit Pest (een deel van de hoofdstad Boedapest) in Hongarije. In een Russische krant uit 1839 wordt Jozef bij herhaling ‘een arme Jid’ genoemd. Aan het eind krijgt hij niet alleen de brief van zijn vrouw overhandigd, maar ook ‘duizend florijnen’.

Dat afscheidsgeschenk is 35 jaar later, in het Weekblad van Haarlemmermeer (1874), gestegen tot vijfduizend gulden. In plaats van de Weense bankier Salomon Mayer Rothschild (1774-1855), is de weldoener in het verhaal nu diens zoon Anselm Salomon von Rothschild (1803-1874). De arme joodse koopman is veranderd in ‘een zeer brave, maar arme kleermaker’. We krijgen nu ook de hele brief van zijn wanhopige vrouw te lezen

De brief luidt: ‘Kom in Gods naam naar huis, de tijd mijner bevalling nadert en de kinderen zijn allen ziek: moeten wij van gebrek omkomen, laten wij dan zamen sterven, en wil God ons helpen, dan zal hij dat hier zoo wel doen zoo elders. Gij ziet het, uwe pogingen in den vreemde willen ook niet gelukken. Gij zijt al 5 maanden op reis en wij zijn nog armer dan vroeger, kom, kom spoedig. Vrouw Rothschild.’