Hoe raar een knikker rollen kan (1857)

Jeugdverhalen over joden (39)

Door Ewoud Sanders

Hoe raar een knikker rollen kan (1857)
Auteur: onbekend

Herkomst en drukgeschiedenis

Lijp, de joodse straathandelaar, tussen zijn kapotte handel. Illustratie uit Hoe raar een knikker rollen kan (1857). Lijp (dan wel Leib of Leip) is de Jiddisje vorm van de voornaam Levi.

In diverse jeugdverhalen worden joodse straathandelaren getreiterd. Hun handel wordt door straatjongens met opzet kapotgemaakt. In het boekje Hoe raar een knikker rollen kan gaat de handel van Lijp – hij verkoopt schalen en borden – ook kapot, maar de oorzaak is dit geval een ongeluk.

            Dat ongeluk wordt in gang gezet door twee jongens die elkaar uitdagen bij een potje knikkeren. Een rijke heer struikelt over de knikker, hij grijpt zich vast aan de rok van een dame, die rent weg en valt over een varken, dit dier laat de paarden van een rijtuig op hol slaan, de koetsier belandt daardoor op een wagen met eieren, waarna Lijps wagen door vluchtende mensen omver wordt gelopen. Bij de rechter wordt het hele gebeuren in omgekeerde volgorde besproken en volgt de straf: de knikker wordt kapotgeslagen en de heer moet alle schade betalen omdat hij nu eenmaal rijk is.

            Hoe raar een knikker rollen kan: een kluchtig verhaal dat Hollandsche jongens wel lezen mogen was een succes. De eerste en tweede druk verschenen bij uitgeverij G.W. Tielkemeijer in Amsterdam, in respectievelijk 1857 en 1862. De derde druk verscheen in 1884 bij de Utrechtse uitgeverij Van der Post. Iedere druk werd aan het eind van het jaar op de markt gebracht. Dit prentenboek in oblongformaat, met rijmende tekst en acht litho’s die deels met de hand zijn gekleurd, werd dan ook nadrukkelijk als een sinterklaasgeschenk gepresenteerd.

Advertentie voor de eerste druk uit het Algemeen Handelsblad van 28-11-1857.

Aan Lijp zijn twee bladzijden gewijd. Daarin wordt ‘de arme jood’ sprekend opgevoerd, met een typisch joodse uitroep (‘O waai’) en een kenmerkende uitspraak van het Nederlands. Nadat zijn kar omver is geworpen ‘zingt’ hij dit ‘klaaglied’:

’t Is: ‘wee en ach! o waai, o waai;
Me phorden en me scalen!
Ze zijn aan digglen en khapot
En wie, wie zal ’t betalen?’

Lijp bij de rechter. Detail uit een grotere illustratie.

Bij de rechter zegt Lijp, wijzend naar de koetsier:

‘Meheer! wil ginstig hooren:
Kijk, door de beesten van dien man,
Ging al mijn goed verloren.
Ik haalde ’t zoo van ’t maggesijn,
Voor meer dan seuwe [zeven] gilden,
Zoo een, twee, drie, maar stik te zien –
Moet ik dat soo maar dilden?’

Het boekje, dat opvallend goed geschreven is, eindigt met een moraal in versvorm:

Wij leeren uit dit vreemd verhaal,
Hoe dikwijls kleine zaken,
Hier op dit wereld-schouwtooneel
Veel oproer kunnen maken;
Hoe dwaas het is, het kleine steeds
Als al te klein te achten;
Want wie nooit op ’t geringe let,
Staat dikwerf ramp te wachten.

Doelgroep en receptie

Van dit boek vond ik één bespreking. ‘Een allergrappigst boek’, aldus Het nieuws van den dag op 2-12-1884, ‘is verder de geschiedenis van: Hoe raar een knikker rollen kan. Een kluchtig verhaal dat Hollandsche jongens wel lezen mogen (Utrecht, Gebr. van der Post). Het herinnert, wat inkleeding betreft ongeveer aan de oudere, zeer geliefkoosde kinderboeken Het huis van Adriaan en De sleutel van den Bibelabonschen berg, maar is voor knapen van iets ouderen leeftijd bestemd. De behoefte aan een derden druk, dien wij thans aankondigen, vindt, na de prettige vertelling, zeker ook haar oorzaak in de aardige plaatjes van het boekje.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter