Est Est Est: nep uit de zestiende eeuw

Door Renaat Gaspar

“De tous les produits de l’économie mondiale le vin est certes celui qui offre aux prodigieux et inépuisable thème de la publicité séduisante les plus admirables ressources.” ‘Zoek maar bij Google of Wikipedia, daar vind je wel wat.’
(Vrij naar Willem Elsschot, Lijmen.)

Bron: Sogno Italiano

Eind 1674 reisde de schilder en etser Cornelis de Bruyn van Den Haag naar Rome. In Latium kwam hij langs Monte Fiascone, toen al eeuwen bekend om zijn voortreffelijke wijn. (Zie ‘Een onbekende Middelnederlandse rijmspreuk’ in Neerlandistiek 2016).

Hij schrijft daarover:

‘Den 14den der gemelden maand december zette ik de reis weder voort en nam myn weg over Monte Fiascone, alwaar uitsteekende muskadelwyn is. Om welke reden een zeker reiziger zich daar (vry wat langer als hy behoorde) ophield, vindende denzelven zoo smaakelyk dat hy, konnende die nectar niet een oogenblik missen, zyne wellust eindelyk met de dood moest betaalen. Ter gedachtenis van hetwelk ziet men op zyn graf (want hy wierd alhier ter aarde besteld) de volgende Latynsche regelen:

Est.est.est.

Propt.nimium est.

Jo – defuc. D.meus

Mortuus est.

De Franse editie van 1732 bevat een uitgebreide aanvulling op de tekst van De Bruyn. Een verklarende voetnoot aldaar luidt (in vertaling):

Monte Fiascone is een stadje, gelegen op een berghelling, op acht mijl van Viterbo. Die reiziger was een Duitse heer, die Italië doorkruiste. Men zegt dat hij ervoor gezorgd had steeds een van zijn ambtenaren vooruit te zenden met de opdracht in alle herbergen op zijn route de wijn te proeven en, als die goed bevonden werd, dit woord EST op de deur te kalken om zijn meester te waarschuwen dat hij zijn tocht kon onderbreken en dat hij niet vergeefs was afgestegen. In Monte Fiascone drink je een uitstekende wijn, genaamd Moscatello. Er zijn in de voet van de berg spelonken uitgediept die de wijn altijd zeer koel houden. De Moscatello viel in de smaak bij de ambtenaar, en om zijn meester duidelijk daarop attent te maken verdrievoudigde hij het EST door op de deur te kalken: EST EST EST. De meester vond hem niet minder goed dan zijn ambtenaar en hij dronk er zoveel van, dat hij eraan stierf.

(zie DBNL)

Sindsdien is dat verhaal nog meer opgesierd. Op Wikipedia lees je :

Est! Est!! Est!!! di Montefiascone is de naam van een wijn uit Montefiascone in LatiumItalië, veertien kilometer van Viterbo. Het is een eenvoudige witte wijnsoort (gemaakt van de druivenrassen Trebbiano en Malvasia) die vooral bekend is vanwege de bijzondere herkomst van de naam.

In het jaar 1111 reisde de Duitse bisschop Johannes Fugger met een groot gezelschap naar Rome om daar de kroning van keizer Hendrik V bij te wonen. Fugger stuurde zijn knecht Martin vooruit om alvast een geschikte herberg te vinden. Hij sprak met hem af dat Martin, wanneer hij een goede herberg gevonden had “Est” (“hier is het”) op de deur zou schrijven. Schonk de herberg bovendien ook nog goede wijn, dan zou hij “Est! Est!” op de deur schrijven. Even voor Montefiascone zag de bisschop evenwel een herberg waar op de deur was geschreven: “Est! Est!! Est!!!”. Hoewel dit niet was afgesproken, begreep Fugger hier te maken te hebben met een uitzonderlijke herberg waar uitzonderlijke wijn werd geschonken.

Fugger is nooit in Rome aangekomen. Hij verbleef drie jaar lang in Montefiascone en dronk zich letterlijk dood. Hij werd begraven in Montefiascone. Hij liet zijn hele vermogen na aan de stad Montefiascone. Op zijn grafsteen staat nog steeds te lezen: “Est Est Est Propter nimium est hic Io Defuk Dominus meus mortuus est” , hetgeen betekent: “Est Est Est, na een overdaad aan Est is mijn meester Johannes Fugger hier gestorven”.

Tot zover Wikipedia. Op Google zijn nog heel wat meer vindplaatsen met deze geschiedenis te vinden, ook in betrouwbaar te achten media. Zie bijvoorbeeld het dagblad Trouw  of, met heel veel fantastische toevoegsels de blog Sogno Italiano

Maar wat is er nu waar van dit fraaie verhaal?

Alvorens dit grafschrift van gedetailleerd commentaar te gaan voorzien, moeten twee zaken worden vastgesteld;

  1. De grafsteen is in de loop der eeuwen zozeer afgesleten, dat de letters nagenoeg onleesbaar zijn geworden. Maar in 1674 was dat nog niet het geval. De transcriptie zoals Cornelis de Bruyn die geeft, mag je zeker vertrouwen.
  2. De wijn uit Monte Fiascone was, blijkens de Middelnederlandse rijmspreuk, al veel eerder beroemd. Van een verbinding met Est Est Est is in die oudere tijd nog geen sprake.

De volgende vier gegevens moeten als louter verzinsels worden beschouwd.

1. De hoofdpersoon was een bisschop.

De figuur op de grafsteen is niet gehuld in een bisschopsgewaad maar in een tabbaard, de chique, vaak met bont afgezette kledij van een deftig man in de 15e, 16e en 17e eeuw.

De grafzerk met ‘Est Est Est’ (Bron: Wikipedia)

Op zijn hoofd draagt hij niet een bisschoppelijke mijter, maar (vermoedelijk) een hoed met panache, d.i. een uitbundige vederbos. Dergelijke hoofddeksels werden gedragen door hoge militairen en magistraten.

Hoed met panache (Bron: G. Lenotre, Vieilles  maisons, vieux papiers. t. V)

2. De hoofdpersoon verbleef in een herberg.

Als er al sprake was van een bisschop, een hoge geestelijke verbleef niet in een onfrisse herberg, zich afgevend met onwelriekend boerengezelschap, maar zocht onderdak bij de plaatselijke geestelijkheid of in een lokaal convent.

3. De hoofdpersoon reisde in het jaar 1111.

Het grafschrift bevat geen enkele aanwijzing in deze richting. Het jaartal 1111 lijkt ingepast te zijn in de periode van de Welfse en Ghibellijnse twisten.

4. De naam Martin voor ’s bisschops knecht.

Waarom juist de naam Martin aan de Duitse knecht werd gegeven, is niet duidelijk. Is ze soms ontleend aan die bekende (en bij katholieke Italianen beruchte) Duitser in de 16e en 17e eeuw, Martin Luther?

Nu van de legende naar de werkelijkheid. Het grafschrift moet op een geheel andere wijze geïnterpreteerd worden.

5. D.meus.

Er is geen sprake van een bisschop. Zeker, reverendus dominus was de titel van een bisschop (zie bv. hier)

Maar hier wijst dominus meus (let op dat: ‘meus’) naar een andere verhouding, die van een knecht tot zijn meester of, waarschijnlijker, die van een vrouw tot haar man.

6. Jo – defuc.

In de Brockhaus-editie uit het begin van de vorige eeuw luidt de tekst van het grafschrift: Est, est, est, propter nimium est dominus meus mortuus est. Het blijkt dat in deze befaamde Duitse encyclopedie (lemma: ‘Est, est, est’) de letters Jo – de fuc. zijn weggelaten en dat wél opeens de naam Johann Fugger opduikt.

Er is evenwel geen sprake van een Johannes Fugger, laat staan ene Io Defuk.

Jo – defuc. D.meus moet gelezen worden als Johannes, defunctus dominus meus, mijn overleden heer Johannes. Eventueel ook malicieus verklaard als: ‘mijn overleden heer des huizes’ dan wel licht-ironisch: ‘mijn overleden heer-gemaal Johannes’.

7. Est Est Est.

Als est alléén staat, kan het enkel betekenen hij/zij/het bestaat/bevindt zich en in toegespitste zin hij/zij/het leeft. Weinig passend in een grafschrift dunkt me. Soms iemand die, voorzien van een snorkelpijpje, levend begraven was? Nee, est is een woord, dat een aanvulling behoeft. Als die imaginaire knecht had willen duidelijk maken dat deze bepaalde herberg als verblijfplaats uitstekend was, had hij moeten schrijven: Hic est, of alleen Hic, beter nog de oude locativus Heic. Trouwens, welke knecht communiceerde met zijn meester in het Latijn?

8. Nogmaals Est Est Est.

Het drievoudige Est betekent niet alleen hij/zij/het is/bestaat/bevindt zich, maar ook hij/zij/het heeft zich ongans gegeten. Het is een verkorte vorm van edit, perfectum van edere, vreten. (Het vierde est is een substantivum verbale, dus ‘het gevreet’, ‘het vreten’.) Deze verkorte perfectumvorm werd gebruikt door Vergilius en Horatius, juist de twee Latijnse dichters wier dichtwerk met gemak de middeleeuwen had overleefd. Vergilius was door de eeuwen heen wellicht zelfs de meest gelezen Latijnse auteur.

9. Ten derden male Est Est Est.

En toch. Toch kan est (mits gekoppeld aan de bijgedachte in hoc mundo) de zojuist verworpen betekenis ‘hij leeft’ krijgen, en Est Est Est die van ‘hij leeft intens’. Als je in dit grafschrift een ironische woordspeling wilt lezen, zou je de combinatie propter nimium est – mortuus est kunnen interpreteren als ‘vanwege dat té intense leven, is hij gestorven’. (In  propter nimium est is est een substantivum verbale, dus ‘het leven’, ‘het geleef’.) De tekst op deze grafsteen zou dan een lapalissade zijn. Jacques de la Palice (1470-1525) was een Franse edelman en militair. Naar hem werd een onvermijdelijke waarheid, vaak in de vorm van een (morbide) ironische woordspeling, een lapalissade genoemd. Zulks naar aanleiding van zijn grafschrift Ci gît le Seigneur de La Palice; s’il n’était pas mort, il serait encore envie.

Est Est Est: hij heeft zich ongans gegeten. (Bron:  Heer Bommel en de Volvetters, nr. 1001)

Est est est.
Propter nimium est
Johannes defunctus
Dominus meus
Mortuus est.

Hoe moeten we dit grafschrift nu wel verstaan? Nou, bijvoorbeeld zo:

Hij at, en at, en at
Nee, meer dan dat: hij vrat.
Daarom is Jan
Mijn overleden man
Door de dood gevat.

Of zo:

Het leven was voor hem een feest.
Hij feestte als een vrolijk beest.
Daarom gaf Jan
Mijn overleden man
Dan eindelijk de geest

Of, als poging tot een lapalissade:

Leven, leven, intens leven,
‘t Leven als een eindloos feest,
Dat heeft Jan, nu overleden,
Op het eind niet overleefd.

Maar hoe ook opgevat, het heeft er alles van weg dat dit merkwaardige grafschrift na de dood van een plaatselijk bekende veelvraat, holle-bolle-gijs en eventueel uitbundige levensgenieter, genaamd Johannes, is gebruikt (of zo men wil: misbruikt) door de wijnboeren. Zij hebben dat Est Est Est niet meer willen lezen als een directe doodsoorzaak, maar aan de hand van die raadselachtige woorden een mooi, nieuw, fris reclameverhaal bedacht bij een al lang bestaand en al lang befaamd product. Een nepverhaal dat al eeuwen stand heeft gehouden.

Est Est Est werd voortaan gelezen als Hier, Hier, Hier!