Waarom zou je op de universiteit werken?

Door Marc van Oostendorp

Voor de Franse filosoof Albert Camus was de belangrijkste vraag die de mens zich moest stellen waarom hij eigenlijk geen zelfmoord pleegt. Als het leven toch absurd is, waarom er dan geen einde aan gemaakt?

Zo is de belangrijkste vraag in de carrière van de hedendaagse medewerker van een universiteit: waarom neem ik geen ontslag? Die vraag is wat overzichtelijker, bijvoorbeeld omdat mensen die dat inderdaad hebben gedaan, kunnen meediscussiëren.

Eelco Runia, bijvoorbeeld, de historicus die vorig jaar met nogal wat rumoer afscheid nam van zijn baan als UD in Groningen. Hij schreef er toen een geruchtmakend stuk over in NRC Handelsblad.

Dat stuk heeft hij, nu hij toch geen onderzoeksvisitaties meer heeft voor te bereiden en geen studiehandleidingen moet samenstellen voor cursussen die hij mogelijk over twee jaar gaat geven, uitgebreid tot een boek: Genadezesjes. Dat boek bestaat uit brieven aan onder andere ‘buitenstaanders, Kamerleden, bestuurders, collega’s, de bedrijfsarts, studenten, promovendi en de belastingbetaler’ waarin Runia gaandeweg een analyse maakt van wat er mis is met het universitaire bestel op dit moment.

Veel van wat Runia zegt, weet iedereen die een tijdje op een Nederlandse universiteit rondloopt: dat er veel te veel ondersteunend personeel is (ongeveer de helft van het vaste personeel , volgens Runia’s berekening) dat in veel gevallen niet ondersteunt, maar vooral bezig is eindeloos veel nieuwe hordes op te werpen in het academische bestaan. Dat de werkdruk op vooral de academische ‘onderklasse’ bijna niet te dragen is – degenen die zich (nog) niet met onderzoeksbeurzen hebben kunnen loskopen en dus gedwongen worden talloze confectiecursussen te geven die nauwelijks aansluiten bij hun eigen expertise. Dat studenten ondanks twee decennia van maatregelen ten behoeve van ‘studeerbaarheid’ steeds meer druk ervaren tijdens hun studie.

Runia weet vooral te schokken met de details. Hij heeft na zijn ontslag de Nota Integrale Kwaliteitszorg en Kwaliteitsborging van zijn voormalig werkgever gelezen en maakt er gehakt van, onder andere door kromme zinnen aan te wijzen in een rapport dat aan studenten de eis stelt dat ze zich helder uitdrukken. Hij rekent voor dat een zevenweekse cursus die hij in Groningen voor een zaal studenten gaf (a twee uur hoorcollege in de week) de belastingbetaler een paar ton moet hebben gekost. Hij vertelt – sinds ik dat heb gelezen slaap ik onrustiger – dat er een tijdschrift bestaat dat Journal of Academic Administration in Higher Education heet en artikelen bevat als ‘Developing a Multidimensional Framework for Faculty Teaching and Service Performance‘.

De details komen overwegend uit Runia’s eigen praktijk in Groningen en richt zich verder vooral op de Nederlandse politiek.

Dat maakt ze in sommige opzichten doorleefder en dus levendiger, maar dat is ook een nadeel. Het is niet helemaal duidelijk hoe representatief een en ander is, en waarvoor. Heel belangrijk om bij de beschouwing van de ineenstorting van de vrije universiteit te betrekken is dat soortgelijke dingen in de hele (westerse) wereld gebeuren. Overal komt men om in de administratie, overal staan met name de geesteswetenschappen onder druk. Voor zover zulke dingen te vergelijken zijn, heb ik bijvoorbeeld het idee dat alles in het Verenigd Koninkrijk (buiten Oxbridge) nog net een graadje erger is, en misschien in België ook wel. Een analyse die zich alleen op Groningen of Nederland richt, dreigt daardoor belangrijke punten te missen.

Een ander nadeel van het boek is dat het wel erg wijdlopig is. Door de vorm van die losse brieven worden soms dingen herhaald, of er wordt juist in de ene brief terugverwezen naar een vorige (terwijl het onduidelijk is waarom de bedrijfsarts de brief aan de Kamerleden zou lezen). Ook vindt Runia het om de een of andere reden interessant om de structuur van de universiteit te vergelijken met die van een middeleeuwse standenmaatschappij, en hij besteedt daarbij dan bladzijden lang aan uitleg van hoe het in de middeleeuwen in elkaar zat. Een metafoor die zoveel uitleg behoeft, werkt niet. (Eigenaardig genoeg heeft het boek ondanks de enigszins literaire stijl ook eindnoten.)

Maar dat is detailkritiek omdat de kwestie natuurlijk heel belangrijk is, en nog zelden zo uitvoerig werd gedocumenteerd. Je wordt daardoor als medewerker van een universiteit onherroepelijk geconfronteerd met de vraag waarom je nog aan zo’n instelling willen werken. Runia heeft die vraag inmiddels ‘met de voeten beantwoord’ en hij zegt tegen zijn voormalige collega’s vrij expliciet dat wij zijn gebleven omdat we in een illusie blijven geloven, namelijk die van de universiteit als een collegiale gemeenschap van mensen die gezamelijk naar de waarheid streven. Ondertussen laten ze zich nog iedere dag steeds meer mangelen door de managers.

Helemaal opgegeven heeft Runia de universiteit kennelijk ook weer niet, want na de laatste brief aan de belastingbetaler volgt vrij abrupt een tienpuntenplan van hoe de universiteit beter kan:

  1. Regelgeving en bestuur volgens het Koetoezov-principe: ‘niets nuttigs verhinderen en niets schadelijks toestaan’.
  2. Sturing op zelfsturing: alle maatregelen en plannen toetsen aan het criterium of ze de zelfsturing van de in de organisatie werkzame professionals bevorderen.
  3. Reductie van de bestuurslaag en het ambtelijk apparaat met 50%.
  4. Maximering van het verplichte kerncurriculum tot 25% van de jaarlijks in de bachelor te behalen studiepunten.
  5. Personeel dat een vaste aanstelling heeft een maximale aanstellingsgrootte van 50% geven.
  6. Alle verticale auditsystemen (zoals visitatiecommissies) afschaffen en vervangen door horizontale.
  7. Bestuur door de professionals zelf en niet door beroepsmanagers.
  8. Afschaffing van de regel dat iedereen met een diploma voortgezet onderwijs tot een universiteit moet worden toegelaten.
  9. Afschaffing van het systeem van outputfinanciering.
  10. Naleven van artikel 1.6 van de Wet op het Hoger Onderwijs: ‘Aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen wordt de academische vrijheid in acht genomen’.

Het is alleen niet duidelijk hoe een en ander geïmplementeerd moet worden. Er zijn in ieder geval voor sommige punten (2, 5, 7) enorm ingrijpende reorganisaties nodig en voor andere (4, 6, 8, 9) grote wetswijzigingen, die dus ook nog eens ingaan tegen wat er elders op de wereld gebeurt. Ik zou onmiddellijk op de partij stemmen die zegt dit te kunnen verwezenlijken, maar ik zou ook zeer sceptisch zijn.

Dat stemt alles natuurlijk treurig. In de dertig jaar dat ik nu op Nederlandse universiteiten rondloop heb ik ook alleen maar vanuit verschillende rollen steeds verdergaande afbraak gezien. Mijn situatie is veel minder gunstig dan die van de vorige generatie en veel gunstiger dan die van de volgende. Er zijn weinig tekenen dat iemand van plan is een en ander te stoppen.

Dat ik niet wegloop is omdat ik nog steeds geloof in wat Runia een illusie noemt: omdat ik nog steeds denk dat het vrijelijk vergaren van kennis, het delen van die kennis met studenten en anderen, het almaar voortdurende debat een belangrijke rol speelt. En dat ik die academische gemeenschap ook nog iedere dag ervaar, in ieder geval waar ik werk (in Nijmegen en op het Meertens Instituut). Als het waar is dat het een illusie is dat we in collegiale sfeer samenwerken, dan maakt die illusie zichzelf ook waar. Ik ben me er daarbij van bewust dat ik een vrij unieke positie heb weten te verwerven met weinig managementtaken én weinig last van hogere managers, een plaats die nog relatief dicht zit bij het oude ideaal van vrij onderzoek.

Ja, er zijn zeer grote problemen, maar er is ook nog heel veel moois. Bovendien geloof ik meer in de methode van WO in actie – namelijk: actie – dan in die van het schrijven van brieven aan ‘de studenten’. Er moet veel worden aangepakt, en Runia’s tien punten zijn voorbeelden van wat we zouden kunnen doen. Laten we dat gaan doen.

Eelco Runia. Genadezesjes. Over de moderne universiteit. Amsterdam: Athenaeum, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.