Wat ik zeg!

Door Kristel Doreleijers

Het zal niemand zijn ontgaan: het Nederlandse voetbalsucces. “We” doen weer mee op het Europese toneel na de zinderende Champions League overwinningen van Ajax, en ook op nationaal niveau kan de voetballiefhebber de komende weken zijn hart ophalen.

Dat Nederlands (internationaal) voetbalsucces gepaard gaat met spannende taalontwikkelingen, blijft haast onopgemerkt door alle kunststukjes op het veld. Iedere liefhebber herinnert zich wel de sierlijke Zidane-pirouette van Dušan Tadić, de minutieuze vrije trap van Lasse Schöne en de torenhoge kopbal van Matthijs de Ligt. Met de halve CL-finales van Ajax tegen de “Spurs”, de Bekerfinale tussen Ajax en Willem II en de ontknoping van de Eredivisie in aantocht, zal de gedachte aan deze acties vele voetbalharten sneller doen kloppen. De talloze voor- en nabeschouwingen rondom de voetbalwedstrijden zetten echter niet alleen de schijnwerpers op de fysieke prestaties van de voetballers, maar ook op iets heel anders: hun taalgebruik. We weten al langer dat er op het niveau van woordenschat veel gebeurt tijdens grootschalige voetbalevenementen. Denk maar aan het Sambavoetbalwoordenboekje dat het Instituut voor de Nederlandse taal uitbracht in 2014. Deze digitale woordenlijst bevat allerlei neologismen die ontstonden tijdens het WK voetbal in Brazilië, van juichpak tot doellijntechnologie. Ook René Appel schreef eerder al uitvoerig over het jargon rond de voetbalvelden in zijn boek Voetbaltaal (1990). In dit artikel wil ik de aandacht vestigen op een ogenschijnlijk nieuwe uitdrukking die voetballers de laatste tijd opvallend veel gebruiken. Het gaat om het zinnetje “wat ik zeg”, veel gehoord in interviews: “wat ik zeg, daarna maken we ook nog de 5-0”. Deze uitdrukking doet vooral denken aan stopzinnetjes als “zal ik maar zeggen”, “zeg maar”, “weet je”, “ja toch” en “je weet toch”, maar het is de vraag of er niet meer te zeggen valt over dit type gebruik van het betrekkelijk voornaamwoord wat.

Ik wil eerst twee voorbeelden laten zien waarin “wat ik zeg” zoiets lijkt te betekenen als: “zoals ik zojuist al heb gezegd…” en “heb je niet geluisterd naar hetgeen ik net zei?” en “let a.u.b. op: ik ga nu dus iets herhalen wat ik net al heb gezegd”. In dit geval markeert “wat ik zeg” niet alleen een herhaling van informatie, maar is het ook een signaal dat de luisteraar attendeert op de informatie die gaat komen. De hieronder aangehaalde citaten zijn allemaal afkomstig uit recente interviews rondom wedstrijden in de Keuken Kampioen Divisie en de Eredivisie. In het eerste voorbeeld spreekt de verslaggever (I: interviewer) met Go Ahead Eagles-aanvaller Vince Gino Dekker (V: voetballer) na afloop van de wedstrijd in de Keuken Kampioen Divisie tussen Go Ahead Eagles en RKC Waalwijk (1-4). Dekker heeft voorafgaand aan die wedstrijd een rapnummer uitgebracht en de verslaggever vraagt hier meerdere keren naar in het interview, waarop Dekker telkens nadrukkelijk aangeeft het alleen over de wedstrijd te willen hebben.

I: Heb je niet spijt dat je het misschien na de play-offs had moeten uitbrengen?

V: Had ik misschien beter over moeten nadenken, alleen eh ja wat ik al zeg ik wil ’t eh vandaag gewoon over de wedstrijd hebben.

Ondanks dat hier prima geanalyseerd kan worden waarom Dekker “wat ik zeg” gebruikt (als een soort discoursemarker) en wat het in deze context betekent, is de uitdrukking in zekere zin gemarkeerd (voor mij althans). Je zou “wat ik zeg” verwachten in verklarende zinnen (met nadruk) als “Ik zeg niet dat ik groen geen mooie kleur vind. Wat ik zeg, is dat ik blauw mooier vind”. In dit soort zinnen heeft het betrekkelijk voornaamwoord “wat” een ingesloten antecedent dat de waarde heeft van “dat wat” of “datgene wat”. Het kan worden geëxpliciteerd door middel van een aanwijzend voornaamwoord zoals dat (“Dat(gene) wat ik zeg, is dat ik blauw mooier vind”) (zie de Algemene Nederlandse Spraakkunst, E-ANS). De vraagt rijst of het nieuwe “wat ik zeg” een soortgelijke constructie is? Je zou het antwoord van Dekker dan moeten kunnen parafraseren als “Alleen eh ja dat(gene) wat ik al zeg, is dat ik het vandaag gewoon over de wedstrijd wil hebben”. Deze parafrase leidt echter tot een subtiel betekenisverschil. Dekker geeft geen verklaring, maar de situatie is simpelweg zo dat hij een vraag krijgt voorgelegd waarvan hij kort daarvoor al heeft gezegd die niet te willen beantwoorden. “Wat ik (al) zeg” is in die context eerder een sneer naar de interviewer: de vraag toch opnieuw stellen is irritant.

De functie van “wat ik zeg” als marker van iets wat al is gezegd, wordt in dit voorbeeld bovendien verduidelijkt door het bijwoord van tijd al (in de betekenis van ‘reeds’). Precies zo’n zelfde voorbeeld doet zich voor in het interview met NAC Breda-speler Menno Koch na afloop van het Eredivisieduel tussen NAC Breda en Feyenoord. Hij geeft het volgende commentaar op de 0-4 verloren wedstrijd:

Alleen ja weet je je zit wel eh in een heel moeilijk eh pak kijk heel ’t seizoen al en eh in dit soort wedstrijden dan dan moet alles kloppen en eh nja weet je ik denk dat we al redelijk snel een domper tegenkrijgen en ja dan weet je dat het een hele moeilijke avond wordt en ja wa ‘k al zeg op zo’n wedstrijd moet alles d’r zijn.

Koch gebruikt net als Dekker het bijwoordje al om terug te grijpen op iets wat hij al eerder heeft gezegd, alleen gebruikt hij tijdens zijn herhaling iets andere bewoordingen, vergelijk: “in dit soort wedstrijden dan moet alles kloppen” en “op zo’n wedstrijd moet alles d’r zijn”.

Een andere betekenis van “wat ik zeg” vinden we terug in een interview met PSV-speler Luuk de Jong na een 3-3 gelijkspel tegen Vitesse.

V: Het spel is open, het ging op en neer en dan hebben zij ook gewoon kwaliteit om goal doelpunten te maken en eh ja helaas gebeurde dat twee keer, kom je wel weer goed twee keer terug maar eh krijg je maar vier minuten extra volgens mij is dat ook erg weinig aan het einde.

I: Ja, maar wat kom je uiteindelijk dan tekort om het toch nog weer naar je toe te trekken?

V: Ja, ja wat ik zeg, kijk eh, drie keer terugkomen is is al moeilijk en en dat doe je goed alleen dan eh ja nog een goal maken ja dat eh dat is zwaar.

Net zoals in de eerdere voorbeelden lijkt de “wat ik zeg” van De Jong terug te grijpen op wat hij eerder in het interview zegt, namelijk het terugkomen (op gelijke stand komen) in de wedstrijd. Als je heel letterlijk kijkt naar de eerste keer dat hij hierover spreekt en de herhaling, met name naar het adjectiefgebruik, dan valt wel een subtiel verschil op. Waar De Jong eerst spreekt in termen van “goed”, gaat het in de herhaling om “moeilijk” en “zwaar”. De interpretatie lijkt te zijn: winnen is niet gelukt, maar hé, terugkomen is al moeilijk, laat staan hoe zwaar het is om een extra goal te maken. In deze context krijgt “wat ik zeg” een betekenisaspect van toegeving of berusting (zie Algemene Nederlandse Spraakkunst, E-ANS). Een dergelijke betekenis waarbij de spreker zich neer lijkt te leggen bij de feiten, komt bijvoorbeeld ook voor in zinnetjes als “hoe het ook zij” (conjunctief), zoals in “hoe het ook zij, ze hebben er hard voor gewerkt”.

Een voorbeeld waarin een ander gebruik van “wat ik zeg” voorkomt, vinden we in een interview met Vitesse-speler Maikel van der Werff na afloop van de Eredivisiewedstrijd tussen Ajax en Vitesse. De verslaggever vraagt Van der Werff naar de spelwijze van Vitesse, dat met 4-2 verloor en wellicht aanvallender had moeten spelen.

V: Gaan we wel aanvallender spelen en eh en en…

I: Precies en toen kreeg je toch wel weer meer grip op de wedstrijd, had misschien ook te maken met wissels achterin bij Ajax maar toch.

V: Ja nou goed, feit blijft dat dat wel het spel is dat ons ligt natuurlijk en eh nja das achteraf.

I: Ja das achteraf, maar dan zeg ik inderdaad wel had je dan niet zo moeten beginnen?

V: Uhh ja, das un keuze vooraf.

I: Maar achteraf gezien dus een verkeerde keuze?

V: Inderdaad (lacht)

I: Maar weet alles maar ’s vooraf.

V: Sorry?

I: Weet alles maar is vooraf.

V: Ja nee inderdaad, kijk weet je ja mawat ik zeg het werkte gewoon tot eh tot aan een paar minuutjes voor tijd eh voor rust.

In dit voorbeeld valt op dat “wat ik zeg” vooraf wordt gegaan door het voegwoord maar. We zien dit vaker in zinnen die contrastieve focus uitdrukken ten opzichte van de voorgaande discourse. Eerder is al opgemerkt dat “wat ik zeg” lijkt te functioneren als een discoursemarker die signaleert dat de spreker informatie gaat geven die hij al eerder heeft gegeven. Hier lijkt deze eigenschap samen te gaan met een contrastieve focuslezing. De verslaggever stelt dat het wellicht een verkeerde keuze was om niet aanvallend aan de wedstrijd te beginnen. Van der Werff stemt hiermee in, maar geeft óók aan (contrastieve focus) dat de gehanteerde spelwijze succesvol was tot aan een paar minuten voor rust (iets wat hij eerder in het interview ook heeft gezegd). Een soortgelijk gebruik van “wat ik zeg” met contrastief “maar” treffen we aan bij PSV-speler Pablo Rosario na afloop van de Eredivisiewedstrijd tussen Willem II en PSV (0-3). In het interview vraagt de verslaggever hem naar de verplaatste speelronde in de Eredivisie.

I: Heb je eerder een seizoen meegemaakt, tot slot, waar je ineens met een pauze geconfronteerd wordt van zeventien dagen?

V: Nee volgens mij is dit eh voor mij ook de eerste keer eh dat er zo’n lange pauze tussen zit, maar wat ik zeg het is zo eh we gaan ons nu goed eh ja lekker uitrusten en voorbereiden op eh de laatste twee wedstrijden

De uitdrukking “maar wat ik zeg” in bovenstaand fragment drukt contrast uit, in de zin van “dit is inderdaad een lange speelpauze en ik maak dit voor het eerst mee, maar we gaan ervan profiteren door goed uit te rusten en ons voor te bereiden op de laatste wedstrijden”. Nu komt echter het opvallende: “wat ik zeg” markeert hier géén herhaling van informatie, want de verslaggever heeft deze vraag niet eerder gesteld en Rosario heeft deze informatie eerder in het interview ook niet uit zichzelf gegeven! Blijkbaar kan “wat ik zeg” dus ook als een discoursemarker functioneren die nadruk legt op de informatie die komen gaat, zonder dat dit een herhaling impliceert. Ook in het interview met Ajax-speler Matthijs de Ligt, na de 5-2 overwinning in de uitwedstrijd tegen FC Emmen, zien we dit gebeuren.

V: Ja eh ja dat was het enige dat we hier moesten doen winnen en eh ja buiten de twee tegengoals op het laatst denk ik dat we goed gespeeld hebben.

I: Ja uh het ging vrij makkelijk op een gegeven moment in die tweede helft?

V: Ja je uh stond je staat 2-0 voor bij rust en je weet dat zij moeten komen en ja dan is het heel lekker dat je gelijk die 3-0 maakt en die 4-0, waardoor je ja toch met een lekkere marge verder kunt voetballen en uh jawat ik zeg daarna maken we ook nog de 5-0.

De Ligt vertelt eerst over de winst in het algemeen en later over de 2-0 stand bij rust, de 3-0, de 4-0 en daarna de 5-0. De uitdrukking “wat ik zeg” voorafgaand aan “daarna maken we ook nog de 5-0” zou erop wijzen dat De Ligt die 5-0 score al eerder heeft genoemd, maar dat is niet het geval! De informatie dat Ajax een vijfde goal scoorde, is in het interview niet eerder door De Ligt gegeven en daarmee lijkt dit gebruik van “wat ik zeg” niet op herhaling te duiden maar juist een vooruit refererende functie te hebben: dat wat De Ligt ná het gebruik van de discoursemarker “wat ik zeg” vertelt, krijgt door het gebruik van die marker extra nadruk.

Maar is het gebruik van “wat ik zeg” nu typisch voor voetballers? Daar lijkt het niet op. Tijdens de Koningsdaguitzending van Omroep Max (27 april 2019) zit historica Reinhildis van Ditzhuyzen aan de discussietafel. In een gesprek met presentator Jan Slagter en zanger Lee Towers komt de geloofsovertuiging van de koninklijke familie ter sprake. Van Ditzhuyzen legt uit dat prinses Amalia volgens de traditie een protestantse opvoeding zal krijgen, omdat ze de troonopvolgster is (14:40 min). Een kleine minuut later wendt Slagter zich opnieuw tot Van Ditzhuyzen en stelt haar de vraag: “Dat geloof, hoe denk je dat dat tot uiting komt naar de prinsesjes toe, worden ze dan protestants of katholiek opgevoed?” Zij reageert vervolgens met: “Nou ja wat ik zeg eh Amalia protestants, omdat dat natuurlijk toch een beetje erbij hoort en verder is het natuurlijk echt privé hè, daar horen we nooit iets over”. Ook hier zou de parafrase “Dat(gene) wat ik zeg, is dat Amalia protestants zal worden opgevoed” niet passend zijn. Deze parafrase doet aan alsof de spreekster een eerdere uitspraak verklaart of een (mogelijke) misvatting bij de luisteraar weg probeert te nemen door een eerder antwoord nogmaals toe te lichten. Op basis van de context weten we dat dit hier niet het geval is. Van Ditzhuyzen krijgt namelijk een vraag voorgelegd waarvan ze het antwoord kort daarvoor al heeft gegeven.

Is dit gebruik van “wat ik zeg” nu echt zo innovatief als het lijkt? Als proef op de som heb ik in Delpher gezocht naar krantenartikelen waarin “ja wat ik zeg” voorkomt (de “ja” is toegevoegd om gerichter te zoeken, bovendien blijkt “wat ik zeg” op basis van bovenstaande voorbeelden vaak samen te gaan met “ja”). De zoekopdracht leverde twintig resultaten op. Het vroegste resultaat dateert van 8 februari 1890 (Bataviaasch Nieuwsblad), maar lijkt te duiden op een ander type constructie waarbij sprekers op elkaar reageren: “Wat je zegt!” riep de secretaris uit – “Ja, wat ik zeg”. Ook andere zoekresultaten als “Ja, wat ik zeg, meen ik”, “Ja, wat ik zeggen wou/wilde” en “Ja, wat ik zeg, is de waarheid” zijn irrelevant. De eerste echte treffer binnen het Delpher krantencorpus dateert van 1969. In het Nieuwsblad van het Noorden (22 januari 1969), en daags daarna in de Leeuwarder Courant (1 februari 1969), verschijnt in een rubriek voor kinderen de volgende tekst in een artikel van Mies Bouhuys over de katten Pim en Pom:

Pim schiet met een vaart-je de ka-mer in. Hé, ou-we slaap-sok, zit je nou nòg te knik-ke-bol-len?, roept hij te-gen Pom, die op zijn vas-te plaats-je ach-ter de ka-chel ligt. Pom kijkt door een kier-tje van een oog en gaapt. Jeeeeee … doet hij, jeeeeee, Pim. Wat moet een kat in de win-ter an-ders doen? Niet dat ik er zelf niet suf van word, hoor. Ik heb een kop als zaag-sel en mijn poot-jes zijn net hou-ten lat-jes van al dat bin-nen zit-ten. Maar ja, wat ik zeg, wat moet je an-ders?

Wat kunnen we hier nu uit concluderen? In de eerste plaats lijkt het gebruik van “wat ik zeg” vooral een semantisch-pragmatische oorzaak te hebben. Het kan functioneren als discoursemarker om herhaling van informatie te signaleren en om volgende informatie extra nadruk of contrastieve focus te geven. Grammaticaal gezien is “wat ik zeg” eigenlijk overbodig. Het verschijnt als een soort tussenwerpsel (tussenzin), en wanneer het wordt weggelaten blijft er een prima zin over. Ondanks dat “wat ik zeg” de laatste tijd veelvuldig gebruikt lijkt te worden door voetballers, lijkt het ook in andere lagen van de bevolking voor te komen en wordt het al aangetroffen in een krantenartikel van 1969. In elk geval is “wat ik zeg” een nieuwe, interessante puzzel voor taalkundig variatieonderzoek. En voor de voetballiefhebbers: ga dus niet alleen kijken de aankomende wedstrijden, maar zeker ook goed luisteren!