The river told me

Door Jos Joosten

Ik doe mijn goede voornemen voor 2019 – het spijt me, Wouter Roelants – toch nog steeds een beetje gestand: eerst lezen wat ik heb en dan pas nieuw kopen. Helemáál lukken doet dat niet, maar ik ontdek nu steeds nog dingen die al veel eerder lagen te wachten. Gelukkig is poëzie voor de eeuwigheid, nietwaar? Dus is de pas anderhalf jaar dat Eigen terrein van Frouke Arns verscheen een kruimel.

Eigen terrein bevat de gedichten die Arns schreef als Nijmeegse stadsdichter. Het is nogal een precair genre, dit soort poëzie Op Afroep Te Schrijven Ter Gelegenheid Van Een Gelegenheid. In het ergste geval is het resultaat ongeveer zo spontaan als de festiviteiten tijdens een bezoek van Zijne Majesteit.

Arns’ stadsgedichten had ik (dan ook) zo goed als gemist – en ik ben (dan ook) heel blij verrast met deze bundel. Dit is poëzie die ook een eigen leven ná het stadsgedicht waard blijkt. Arns’ gedichten zijn zelfs zodanig de moeite waard, dat ik me niet stoorde aan de korte tekstjes ter toelichting, die vaak immers de ultieme libidokiller zijn in dichtbundels.

Meteen het openingsgedicht had me te pakken.

Goudvis in de Waal

Je ging naar het plein om de keizer te zien.
Het vroor, het was nacht
en je had geen plan.

Je was jong en je leven was als op de rotonde:
zolang je niet afslaat
kun je nog alle kanten op.

Wij bestaan uit water en tijd, zei de keizer.
Zijn woorden vielen als ijsblokjes
gladwit stuiterend op de grond.

Je dacht aan je goudvis, die je als kind in de lente
meenam naar buiten en vergat;
nachtvorst zette hem op pauze – je was ontroostbaar

tot de zon hem ontdooide en hij weer zwom.
Jaren later spoelde je vader hem door naar zijn vrienden
die op hem wachtten in zeeën van tijd.

Je gaat naar de brug om de Waal te zien.
heeft water een leeftijd, het is al zo oud;
zou het iets weten, vraag je de rivier.

En de stad staat blauw van de dag aan haar kade,
een aak duwt traag de ochtend voor zich uit,
aan dek schudt een vrouw uit lakens haar dromen.

Soms denk je nog aan zijn woorden, draaiend van afslag
naar afslag op die kolkende rotonde, en vraag je je af
wat daar zo schittert, in die diepe, donkere onderstroom.

Een gedicht dat met weinig toelichting toe kan, maar dat mét toelichting alleen maar boeiender wordt. En dat begint al met de titel: die klopt strikt genomen natuurlijk niet. Het gaat over een goudvis én over de Waal (alleen als je het in plat-Nimweegs zou uitspreken, staat er goudvis en de Waal). Er komen zo twee motieven uit het gedicht samen in de titel die een onweerstaanbare mede-betekenis ondersteunen: als een vis in het water.

Het gedicht staat open naar alle kanten: natuurlijk is er de evidente verwijzing naar Nijhoffs Bommel-gedicht. Maar ook ‘Yes the river knows’ van The Doors lijkt hier mee te klinken. En – is het bewust of onbewust? – de setting is natuurlijk die van een cruciale scène uit het leven van Albert Egberts uit A.F.Th. van der Heijdens Vallende ouders: alvorens met zijn bestelbusje naar Amsterdam te verhuizen, rijdt Egberts zijn eindeloze symbolische rondjes op hetzelfde Keizer Karelplein (met uiteindelijk diametraal tegenovergestelde symboliek: Egberts verruilt Nijmegen, waar de rivier langs stroomt, voor Amsterdam waar het water tot in alle aders van de stad komt).

Het mooiste vind ik de drie slotterzinen. In de eerste de wijziging ten opzichte van Nijhoff: die ging naar Bommel om de brug te zien. Arns keert het om: die gaat naar de brug om de Waal te zien. Frappant is nog dat Nijhoff vanuit een ‘ik’ schrijft, terwijl Arns de ‘je’ hanteert die de status van sprekende persoon wat ambivalenter maakt.

‘De stad staat blauw van de dag aan haar kade’ is, denk ik, de mooiste regel uit dit gedicht, met daarna dat schip dat de ochtend voor zich uitduwt. En op dat schip de hedendaagse variant van Nijhoffs psalmenzingende moeder: de vrouw die dromen uit haar lakens schudt. En er is meer moois in dit gedicht, zoals de chiastische tegenstelling tussen het bevroren, stilstaande water waar de goudvis levend uitkomt versus de dode goudvis die in het stromende water verdwijnt.

Erg mooi dit, met die diepe, donkere onderstroom.

Frouke Arns, Eigen terrein. Baarn: Marmer, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.

Dit bericht is geplaatst in recensies met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter