Rebecca, of de leidingen Gods met een Joodsch Meisje (1843)

Jeugdverhalen over Joden (34)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

De Britse schrijfster Amelia Bristow (1783-ca. 1851) publiceerde dit bekeringsverhaal, dat duidelijk autobiografische elementen bevat, in 1828 in Londen onder de titel Emma de Lissau. De Nederlandse vertaling, die is gemaakt door Esther Capadose (1830-1896), is gebaseerd op de Duitse uitgave, die van 1829 dateert.

Esther was de dochter van Abraham Capadose (1795-1874), halverwege de 19de eeuw een van de leidende figuren in de zending onder de joden. Opmerkelijk genoeg was Esther pas dertien toen zij deze vertaling maakte.

Van Rebecca, of de leidingen Gods met een Joodsch Meisje zijn drie boekuitgaven bekend: uit 1843, 1864 en 1872. De derde druk verscheen onder de titel Rebecca, of de leidingen Gods met een Israëlitisch meisje. In 1876 werden de laatste 104 exemplaren van deze druk geveild. In 1938 verscheen Rebecca’s bekeringsverhaal in tien afleveringen als feuilleton in De Banier: staatkundig gereformeerd dagblad. Aangezien alle Nederlandse boekuitgaven verloren zijn gegaan, is mijn samenvatting op dit krantenfeuilleton gebaseerd.

Samenvatting

Rebecca groeit op in Londen. Haar lieve moeder is orthodox, haar vader geeft niets om godsdienst en is vooral bezig met geld verdienen. Rebecca wordt opgevoed door haar grootvader Eleasar. ‘In dien tijd groeiden de Joden-meisjes meest in groote onwetendheid op, (…) maar de oude Eleasar hing met zooveel liefde aan zijn kleindochter, dat hij besloot om haar een grondige en zorgvuldige opvoeding te geven.’

Als zij zeven jaar oud is, krijgt Rebecca van haar grootvader een exemplaar van het Oude Testament. Jarenlang leest zij hier dagelijks in. Op haar twaalfde krijgt het meisje, dat zeer geïsoleerd opgroeit, ‘een gevoel der diepste ellende’ omdat zij beseft dat zij ‘de voorgeschreven geboden Gods’ nooit zal kunnen volbrengen. ‘Wat moet ik doen om het verderf te ontvlieden en om zalig te worden?’, vraagt zij zich af.

In de boekenkast van haar grootvader, die even op reis is, vindt Rebecca – verstopt achter andere boeken – een exemplaar van het Nieuwe Testament. Zij gaat erin lezen en ‘hoe dieper zij doordrong, des te klaarder scheen in haar hart een licht, waardoor zij immer verder gedreven werd. Tenslotte leerde zij Jezus van Nazareth als den beloofden Messias kennen.’

Als Eleasar na enkele dagen thuiskomt, ziet hij hoezeer zijn kleindochter is veranderd. Rebecca roept: ‘De Messias is reeds gekomen! Ja waarlijk. Hij is gekomen!’ Grootvader is ontsteld. ‘Den naam der door hem gehaten Nazarener te hooren uitspreken was hem vreeselijker dan het grootste ongeluk.’

Na overleg met twee rabbijnen wordt besloten dat Rebecca naar een christelijke school mag – dit om het meisje uit haar isolement te halen. Grootvader laat de onderwijzeres ‘plechtig beloven niet te zullen beproeven, om het kind tot het Christendom te bekeeren’. Rebecca mag geen godsdienstlessen bijwonen en geen christelijke boeken inzien.

De onderwijzeres houdt zich aan deze afspraken, maar medeleerlingen spreken zo vaak met Rebecca ‘over den Heiland’, dat zij na twee jaar een ‘ware discipelin van Christus’ is geworden.

Rebecca houdt dit voor haar familie geheim. ‘Zij kende den haat van haar familie tegen Jezus en daarom verbergde zij haar liefde tot Hem in het diepste haar’s gemoeds. Een vriendin had haar een Nieuw Testament in het kleinste formaat geschonken, dat zij gemakkelijk verbergen kon.’ Tijdens godsdienstoefeningen thuis moet Rebecca vaak ‘de schrikkelijkste lasteringen tegen Jezus den Nazarener’ aanhoren.

Als haar geloof in Jezus na een jaar uitkomt, besluit grootvader ‘om Rebecca op een ellendig dakkamertje bij water en brood op te sluiten, en dat wel zoo lang, tot zij haar afschuwelijke ketterijen geheel zou af gezworen hebben’.

Tijdens haar gevangenschap krijgt Rebecca bezoek van een geleerde rabbijn. Die probeert haar met ‘gedwongen en onverstandige verklaringen’ en ‘wonderlijke meeningen’ van haar ongelijk te overtuigen, maar hij heeft er niet op gerekend dat ‘God zich ook van den mond der kinderen bedient om de zaak Zijns Evangeliums te verdedigen’. Rebecca zegt tegen de ‘onverbiddelijk hardvochtige’ rabbijn: ‘Ik ben een ongeleerd kind, maar desniettemin bezit ik een getuigenis, dat krachtiger spreekt dan de geleerdste verklaringen van alle rabbijnen, en dat mij zekerder leidt dan uw veel vermogend verstand; het is het getuigenis des H. Geestes, waardoor ik weet dat ik een kind Gods ben.’

Wekenlang zit Rebecca opgesloten. Gelukkig heeft zij een exemplaar van het Nieuwe Testament kunnen meesmokkelen, dat haar steeds ‘nieuwe kracht en troost’ biedt. Toch raakt zij zo verzwakt dat zij op last van een geneesheer moet worden bevrijd. Daarna durft haar grootvader Rebecca niet langer op te sluiten. Rebecca mag thuis blijven wonen op voorwaarde dat zij geen enkele poging zal wagen ‘om eenige dienstbode of eenig familielid van zijn geloof af te brengen’.

Grootvader staat zelfs toe dat Rebecca hem begeleidt naar de synagoge. Daar wordt de oude man geregeld aangesproken door joden die vinden dat hij te mild is geweest en dat ‘de booze geest met geweld uitgeroeid’ had moeten worden. Anderen wenden zich rechtstreeks tot Rebecca. Zij leggen ‘hun gansche verachting aan den dag, spogen voor haar, en wilden in de synagoge niet in haar nabijheid zitten’.

Nadat haar grootvader is overleden, gaat Rebecca niet meer naar de synagoge. Haar ouders leggen haar geen belemmeringen op. ‘Zoo was dan nu eindelijk Rebecca geheel vrij. Zij loofde den Heere, die alle hinderpalen weggenomen had.’

 Doelgroep en receptie

Van Rebecca, of de leidingen Gods met een Joodsch Meisje heb ik geen besprekingen gevonden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.