Je dois toujours lutter, avec les circonstances et avec moi même

De Multatulileescursus (27)

Door Marc van Oostendorp

– Deze week leverde voor het eerst een wel wat tegenvallende leeservaring op. Ik ben door alle stukken en brieven uit deel 12 en deel 13 van de Volledige Werken heengegaan, maar er was echt niet veel aan.

– Het kwam natuurlijk ook doordat er zo weinig brieven van Multatuli zelf instaan.

– Het zijn van zijn hand vooral die nogal droge stukjes Van den Rijn die hij voor de krant schreef en waarin hij navertelde wat de Duitse kranten aan Duits nieuws brachten. Je moet echt wel heel veel belangstelling hebben voor het reilen en zeilen van Duitsland in die dagen om dat geboeid te lezen.

– Nou, lekker, daar zitten we dan. Zullen we dan vandaag maar eens alleen port drinken? En keuvelen?

– Iemand The Passion gezien?

– Wacht, er is toch wel iets. Een reden waarom er zo weinig brieven zijn is natuurlijk omdat het in 1869 allemaal even goed leek te gaan: Multatuli woonde met zijn twee vrouwen, met Tine én Mimi, in Den Haag.

– Je bedoelt dat hij daarom geen brieven aan hen schreef.

– Precies. Wel schreef hij de Causerieën

– Die Stuiveling ‘geniaal’ in zijn commentaar noemt, ik ben benieuwd!

– Mij lijkt dat samenwonen vooral een tragedie te zijn geweest.

– Precies, en die kun je als je goed leest ook wel uit sommige brieven teruglezen. Er zijn de brieven aan Tine, vlak voor ze naar Nederland terugkeert. Het huis is al gekocht, en Multatuli zal haar eens even vertellen hoe het eruit ziet.

– Ja, zoals deze brief, met zelfs twee plattegronden.

– Grappig, twee plattegronden, ja terwijl het huis nog een extra verdieping moet hebben, ‘boven’, waar de kinderen slapen. Die tekent hij om de een of andere reden niet, het maakte kennelijk niemand wat uit hoe dat eruit zag.

– Misschien had die zolder ook geen indeling in kamers?

– Hoe dan ook, de begane grond ziet er zo uit:

– Hij schrijft daarover:

Je ziet dat er geen van ons beneden woont. Dit is om de vochtigheid die ik veronderstel. In die achterkamer waar de meid zal slapen (nu is er een werkster) zyn ook kasten voor huishouden, weegschaal, kapstok &c

– Voor die ‘meid’ was de vochtigheid kennelijk geen probleem.

– En dan dat spreekkamertje, wat was dat? Volgens hem was het ‘zeer eenvoudig gemeubileerd’, maar waar werd dat dan voor gebruikt? Voor visite die snel weer weg moest?

– Bij de letter a bevond zich de trap naarboven en daarnaast de ‘plé’.

– Ja, die volgens een volgende brief van Multatuli naar Tine wel wat gehorig was. Leuk voor die meid!

– De grote schrijver komt zo wel wat erg dichtbij.

– Zou Multatuli er ooit rekening mee hebben gehouden dat zijn brieven ooit gepubliceerd zouden worden?

– Ik heb eigenlijk niet het idee, in ieder geval niet in de perioden tot nu toe. Hij oefende wel af en toe iets dat hij later in zijn eigenlijke werk kon gebruiken, maar als hij dacht dat hij met een schrijfsel geld kon verdienen, zou hij het wel onmiddellijk naar een uitgever brengen, denk ik.

– En dan is er de verdieping, de ‘eigenlijke woning’:

– De a’s duiden kachels aan, die de ‘meid’ beneden dus ook niet heeft. De b is een rij boekenkasten.

– Er was dus een kamer voor Tine en een voor Mimi. Boven sliepen de kinderen. Belangrijke vraag: waar sliep Dek?

Hij schrijft zelf ergens:

De huiskamer, mimi’s kamer, jou – of onze – kamer zyn allerliefst.

– Dus ik ga ervan uit dat hij bij Tine sliep.

– In ieder geval wil hij dat haar hier dus wel subtiel laten weten.

– Maar verderop telt hij dan weer hoeveel kachels er zijn:

Jij, Mimi, ik, huiskamer, beneden suite, en keuken.

– Dus dan is de schrijfkamer de zijne.

– En dan heb je nog die geheimzinnige ‘donkere alkoof’, waarin dacht ik ook wel geslapen werd.

– Hoe dan ook was het allemaal niet echt veel ruimte, voor drie volwassenen en twee kinderen.

– Jongens, waar zijn we hier mee bezig? Dit is op zijn best een studie van het negentiende-eeuwse huis.

– Je hebt gelijk, maar ik wil toch ook nog wel dat lijstje met klokjes noemen, een literair hoogtepuntje in dit deel van de Volledige Werken. Douwes Dekker is zó enthousiast over alle klokken die er in huis zijn dat hij ze opsomt:

1 klein klokje voor de kinderen op zolder tusschen hun kamertjes in. (gemeenschappelyk eigendom)
1 zeer goede pendule in de huiskamer
1 aardige koekkoek in myn kamer
1 klokje in de gang by ’t keukentje
1 staand klokje (met nachtlicht) in jou kamer
2 horologies by Mimi (1 ouderwets van haar grootpapa en een dat ze van haar mama had, en dat in Duitschland 11 maanden van ’t jaar in de bank van leening was, doch eindelyk gelukkig gered.
1 horlogie van my (present van Sneek)

– Ja, aandoenlijk. Maar meer niet. Het is dat we met Multatuli bezig zijn, anders wil ik echt niet over een willekeurige negentiende-eeuwer weten hoeveel klokjes hij in huis had en waar die hingen.

– We komen hier overigens wel te weten dat de kinderen op die zolder wel degelijk aparte ‘kamertjes’ hadden.

– En uiteindelijk loopt het allemaal natuurlijk toch niet goed af. Althans, Douwes Dekker heeft het allemaal voor mekaar zoals hij het hebben wil, wat Mimi precies denkt weten we niet, maar Tine schrijft in december een wanhopige brief aan haar vriendin Stéphanie. Met alle stilistische tekortkomingen is die hartekreet het échte hoogtepunt van dit deel:

Je suis honteuse, on ne peut plus. (…) Si je pouvais te parler, oh, ma foi, je serais sincère, je n’aurais pas de secrets pour toi; mais je ne puis écrire des lettres, du moins pas dans certaines circonstances, où je ne sais par moi-même ce que je dois faire. Où tout est dénaturel, je ne suis pas moi-même. L’un jour j’ai quelque espérance de voir un rayon de lumière, l’autre jour au contraire tout est aussi sombre et obscur que la nuit la plus noire. Je dois toujours lutter, avec les circonstances et avec moi même.

– Vertaling!

Ik schaam me, we kunnen niet meer (…) Als ik met je kon praten, o, geloof me, zou ik eerlijk zijn, ik heb geen geheimen voor je. Maar ik kan geen brieven schrijven, in ieder geval niet onder sommige omstandigheden waarin ik zelf niet meer weet wat ik moet doen. Waarin alles tegennatuurlijk is, ik ben mezelf niet meer. De ene dag heb ik wat hoop een straaltje licht te zien, de andere dag is daarentegen alles zo somber en duister als de zwartste nacht. Ik moet altijd strijden, met de omstandigheden en met mezelf.

– Nu ik het zo sta te vertalen, krijg ik toch even tranen in mijn ogen. Dat heeft dus echt een vrouw van vlees en bloed in haar dooie eentje zitten neerpennen, daar in die ‘mooie kamer’ aan de achterkant van het huis. Haar man mocht het niet weten, maar ze wilde weg.

– Ja, ze vertelt dat zij en haar kinderen zo naar Italië verlangen, weg, weg, uit Nederland.

– En de naam van Mimi wordt nergens genoemd, in die hele brief niet, alsof zij inderdaad niets meer is dan een van de ‘omstandigheden’.

– Leuk, allemaal mensen, maar gaan we nu weer echt iets lezen?

– Die geniale Causeriën dan maar?

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Je dois toujours lutter, avec les circonstances et avec moi même

  1. DirkJan schreef:

    Ik lees nu voor het eerst dat Douwes Dekker ook in Den Haag heeft gewoond, en met Tine en Mimi was dat van 1869 tot 1870 op de Zuidwestbinnensingel (afgebroken in 1990). Daarvoor verbleef hij ook al een paar maal in Den Haag omdat daar de regering zetelde.

    Meer info:

    https://www.denhaag.wiki/index.php/nl/cultuur/hagenezen/423-eduard-douwes-dekker

Reacties zijn gesloten.