Gender-obsessie in de literatuurwetenschap

Door Freek Van de Velde

Er verschijnen de laatste tijd nogal wat stukken waarin de literatuurwetenschap ervan langs krijgt: essays van, onder anderen, Kees ’t HartSebastien Valkenberg, Arnon Grunberg, en Carel Peeters wrijven het de literatuurwetenschappers aan dat ze een moraliserende agenda hebben. Ze willen auteurs beschuldigen of ontmaskeren: de demografie van de roman vinden ze een nare wereld, met te veel blanke mannen. De literatuurwetenschappers reageren soms gepikeerd, soms verontschuldigend, soms ontwijkend (hier, of hier). En ze worden nu gesteund door Marc van Oostendorp (hier). Een van de tegenargumenten van Van Oostendorp is dat literatuurwetenschappers helemaal niet met het geheven vingertje staan te zwaaien, maar gewoon registeren waar de literatuur over gaat, en dat dat wetenschappelijk interessant is.

Nu kun je veel inbrengen tegen de beschuldigende essayisten genre Valkenberg, ’t Hart en Peeters. Een interessante observatie van Van Oostendorp is bijvoorbeeld dat de essayschrijvers met hun l’art pour l’art pleidooi zelf ook normerend zijn. Of het argument dat reductie (“ééndimensionaal lezen”) tot de kern van de wetenschappelijke methode behoort. Maar het argument dat de literatuurwetenschappers niet vemanend met dat vingertje staan te zwaaien, is niet zo sterk, vind ik.

Er is in de literatuurwetenschappen een enorme stortvloed aan artikelen over gender en diversiteit, en bijna onveranderlijk is de conclusie: de vrouwelijke romanpersonages zijn te eenzijdig neergezet en de waardering voor vrouwelijke auteurs laat te wensen over. Die artikelen winnen prijzen, en vinden vlotjes de weg naar wetenschappelijke tijdschriften, en sommige van die stukken zijn inderdaad echt goed. Het proefschrift van Corina Koolen of het artikel van Tamara van Seggelen in het laatste nummer van TNTL zijn doordachte wetenschappelijke bijdragen, en ik ben helemaal overtuigd van de meerwaarde van Distant Reading methodes.

Maar waar komt die obsessie – want dat is het – met gender vandaan? Je bent geneigd te denken: uit morele verontwaardiging, veel meer dan uit zuiver wetenschappelijke interesse. Het is helemaal geen toeval dat het over gender of andere maatschappelijke hete hangijzers gaat. Je ziet dan ook dat veel stukken misschien niet expliciet decreteren dat het nu maar uit moet zijn met die blanke mannen die de literatuur monopoliseren, maar dat dat wel de ‘implicatuur’ is. Een beetje neo-Griceaans ingevoerde taalkundige zal geen moeite hebben in te zien dat hier een duidelijke agenda gepropageerd wordt.

Als je de inleiding van op het themanummer van TNTL uit 2001 leest van Erica van Boven, Dieuwke van der Poel & Toos Streng ‘Gender en literatuurgeschiedschrijving: een serie artikelen’, of de lezing van Corina Koolen voor ‘De universiteit van Nederland’, of het gender-onderzoek van Yannick Geens in opdracht van het Vlaams Fonds voor de Letteren  (VFL)  word je getroffen door de onmiskenbare activistische teneur. Het is niet de bedoeling dat het literaire veld gewoon kennis neemt van de resultaten, er moet ook een gedragswijziging komen. Naar aanleiding van het onderzoek van Yannick Geens zegt het VFL bijvoorbeeld:

Het VFL staat een divers en evenwichtig letterenveld voor en hoopt op grond van de bevindingen zijn beleid te verbeteren en de gelijke behandeling van schrijvers en schrijfsters nog meer te kunnen bewaken. Het bekijkt hoe het in de toekomst nog beter kan, zowel in eigen huis als daarbuiten. Samen met Iedereen Leest organiseert het VFL in september 2018 in de KVS in Brussel alvast een internationale conferentie rond inclusiviteit in de boeken- en letterensector met gender als één van de aandachtspunten.

Volhouden dat onder al die stukken geen moraliserende toon zit, zoals Marc van Oostendorp doet, komt neer op het ontkennen dat de vraag ‘Kun je het zout even doorgeven?’ tot actie zou willen aanzetten.

Maar dan de intrigerende vraag: waar komt die morele verontwaardiging over gender vandaan? In een in het najaar te verschijnen artikel in TNTL over Digital Humanities schuiven we (Karlien Franco, Dirk Geeraerts en ik) het idee naar voren dat die maatschappelijke verontwaardiging over de rol van vrouwen, minderheden en over het klimaat het gevolg is van het afkalvend prestige van de cultuurwetenschappen. Tot aan de vroege 20e eeuw was er voor de literatuur, en bij uitbreiding voor alle cultuurwetenschappen, een bijzondere socioculturele rol weggelegd: er kleefde een groot symbolisch prestige aan een doorgedreven kennis van de literatuur. Wie zich staande wou houden als intellectueel moest de literatuur kennen. Schrijvers waren opiniemakers en graag geziene causeurs (Godfried Bomans, Adriaan van Dis, Tom Lanoye), literatuurwetenschappers waren vooraanstaande intellectuelen. Die rol is weggekwijnd in de loop van de 20e eeuw, met het aflopen van de renaissance, een langlopende cultuurperiode met een groot ontzag voor ‘het woord’, zoals Joop Van der Horst laat zien in zijn boek Het einde van de standaardtaal (2008). De taalkunde heeft op het wegvallen van de legitimatie als onderzoeksdomein gereageerd door aansluiting te zoeken bij de natuurwetenschappen en de evolutieleer. Maar de literatuurwetenschappen zijn een andere weg ingeslagen. Nogal wat literatuurwetenschappers (disclaimer: uiteraard niet het hele gild) willen niet zozeer achterhalen wat een goede roman van een slechte onderscheidt, of een literaire zin van een niet-literaire, maar zien zichzelf als een ‘empowerende’ maatschappijkritische kracht: met hun superieure leesvaardigheden en interpretatieve vermogens zijn ze in staan verborgen machtsstructuren bloot te leggen in teksten, in een permanent ‘j’accuse’. Hun opdracht is niet het analyseren van literaire producten, maar het veranderen van de samenleving. Die missie wordt geestdriftig uitgedragen, door aansluiting te zoeken bij gender studies (zoals Van Boven et al. in hun eerder aangehaalde stuk bepleiten) en door te schermen met begrippen als intersectionality.

Zelf raken dat soort literatuurwetenschappers heel ontroerd door hun verheffende missie, daarin aangevuurd door een opvallend brede hyperprogressieve pensée unique onder veel letterkundigen, maar op collega’s uit andere disciplines, maakt dat meeheulen met de ‘grievance studies’  een wat drammerige indruk. Let op: ik denk helemaal niet dat er geen sociale misstanden zijn, en dat je je niet moet beijveren om het lot van mensen die het moeilijk hebben te verbeteren, noch dat de kunst hier geen rol in kan spelen. Integendeel: maatschappelijke verontwaardiging heeft meer dan eens geleid tot grootse artistieke prestaties (Van den vos Reynaerde, Charles Dickens, Käthe Kollwitz …), maar door zich te zien als auguren die in de levers van de romans geheime onheilstekenen kunnen onderscheiden die ons inlichten over de verderfelijke staat van de samenleving, overspelen feministische of ecokritische literatuurwetenschappers hun hand. Het staat iedere discipline natuurlijk vrij om doorlopend het eigen stokpaardje van stal te halen, maar de reactie van Kees ’t Hart is volkomen begrijpelijk, en kun je niet wegwuiven met een al te gemakkelijk ‘maar we zijn helemaal niet moraliserend’.