Fatische communicatie

Nultaal (32)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Een bijzondere uitdaging in de studie van nultaal is het verschijnsel ‘fatische communicatie’. Over de benaming straks meer. Eerst het verschijnsel in voorbeelden.

  • Zo, je bent er.
  • Nou zeg, we staan hier al tien minuten stil!
  • Nieuwe bril?
  • Druk hè?
  • (de kapper) En nog plannen dit weekend?
  • Nou, dag maar weer. – Ja tot kijk hè.

Taal is lang niet altijd bedoeld om een bepaalde inhoud over te dragen, maar kan ook gebruikt worden om iets te zeggen wat volkomen duidelijk is, of kan dienst doen in pogingen om een gesprek te beginnen of zelfs puur een begroetingsritueel zijn. Taal heeft in deze gevallen alléén een sociale functie, lijkt het, en is niet bedoeld om te informeren. Is dit taalgebruik daarmee nietszeggend?

Het verschijnsel is voor het eerst onder de aandacht van de taalwetenschap gebracht door de antropoloog Bronisłav Malinowski, die in het begin van de vorige eeuw veldstudies verrichtte bij een Papoea-stam, en daarbij ook lette op de verbale interactie van mannen zittend rond een vuur. Die praatten ‘zo maar wat’, het ging nergens over, zo leek het. Zijn analyse was: stilte roept ongemak of vijandschap op. Daarom zeggen ze ‘gewoon maar’ iets om aan te geven dat ze elkaars gezelschap prettig vinden.

Zoiets is niet eigen aan ‘primitieve’ culturen. Wij doen dat ook, en zeggen bijvoorbeeld: Zo, je bent er. De ander kan dan niet zeggen: Ja, dat zie je toch. De ander zegt dan iets als: Ja, ik dacht, ik heb wel even tijd of Het verkeer viel mee. En pas daarna komt er een ‘inhoudelijk’ gesprek. Taal kan ook gebruikt worden om stilte te vermijden, zonder dat we elkaar nu speciaal prettig vinden. De spreker zegt dan iets waarmee hij aangeeft dat hij wel een gesprek wil. Let maar eens op in een trein die moet stoppen in een weiland, en wat dan mensen – die daarvoor niets zeiden en die elkaar niet kennen – verbaal doen: Goh, gisteren ook al! Of Nou, dit duurt wel erg lang, enz. Je kunt dan niet niet reageren. Want ook als je niets zegt, gebeurt er iets. Dan sein je uit dat je geen gesprek wilt. En bij de kapper is dat toch wel erg ongemakkelijk met zo’n schaar vlakbij je oor. Een speciaal geval zijn de begroetingsrituelen: Hoe gaat het – Goed, en met jou? Deze kant op. Waarom kan de interactie niet direct beginnen met Deze kant op? En waarom kan er niet geantwoord worden met Nou, het gaat eigenlijk niet zo goed.

Taal als ritueel in begroetingen, taal als stiltevermijder, taal als bevestiging van contact – dit alles wordt fatische communicatie genoemd. En om het nog verwarrender te maken, ook taal over het communicatiekanaal zélf wordt hiertoe gerekend. Bijvoorbeeld: Goh, je komt slecht door. Wanneer je taal definieert als ‘middel om informatie over te dragen’, dan lijkt fatische communicatie nogal nietszeggend. Het is dan small talk, of iets wat we nu eenmaal zo doen, of een aanduiding dat je communicatie wilt of juist dat het niet lukt. Maar dan gaan we ervan uit dat taal in eerste instantie bedoeld is om te informeren. En juist fatische communicatie laat zien dat taal ook bedoeld is om jezelf te positioneren, en daarmee zeg je we degelijk iets, bijvoorbeeld: ik wil een gesprek, ik ben belangstellend, ik ben gewend aan de regels voor begroeting, ik stel me op als klantgerichte kapper, enz.

Toch lijkt er nog iets anders aan de hand. In alle voorbeelden tot nu toe is het taalgebruik niet nietszeggend. Immers, je communiceert, je zegt wél iets. Daarom heet het ook fatische communicátie. Hier betekent ‘fatisch’, afgeleid van het Griekse werkwoord voor ‘zeggen’, zoiets als ‘in het spreken’. Maar Malinowski noemde dit geen communicatie, hij noemde dat af en toe iets zeggen, zwijgend rond een vuur, ‘phatic communion’. Lastig om te vertalen, dat ‘communion’. Wij kennen ‘communie’ in de kerkelijke betekenis. Maar hier betekent het: intimiteit, vertrouwdheid, gemeenzaamheid. Kennelijk hebben we daar taal voor nodig. Het onderwerp doet er dan niet toe, dat is in zekere zin nietszeggend. Maar toch drukken wij dan iets uit, namelijk een verstandhouding over en weer, je één voelen met de ander. Met taal kun je dus iets zeggen ónder de laag van inhoudelijkheid. Dat is niet niets, dat is het verkennen of bevestigen van gemeenschappelijkheid. Dat gaat veel dieper dan een simpel Lekker weertje of een weinigzeggende afsluiting als Tot de volgende keer. De volgende keer is trouwens de laatste keer. Dus deze afsluiting zegt wel iets.