Een hartenkreet: stop de karikaturen!

Door Robert Chamalaun

Sinds de beslissing viel om de bacheloropleiding Nederlands aan de VU te sluiten, is een schier oneindige stroom aan artikelen op gang gekomen: op internet, in (online) vakbladen, maar ook in opiniekaternen van (landelijke) dagbladen. De strekking is veelal hetzelfde: het is een schande dat er minder mogelijkheden zijn om op universitair niveau Nederlands te studeren, een studie Nederlands is zo ontzettend boeiend, wat is er aan de hand dat aankomende studenten niet langer voor een studie Nederlands kiezen, en zo verder. Het ene artikel nog snediger en feller dan het andere.

Vrijwel al deze artikelen hebben nog iets met elkaar gemeen: het voortdurend wijzen naar het vak Nederlands op de middelbare school. Academici, schrijvers en publicisten schromen niet om steeds te fulmineren tegen de vermeende saaiheid van het vak. Het schoolvak zou saai zijn, enkel dienstbaar aan andere vakken, alleen gericht op die vermaledijde signaalwoorden en trucjes. Literatuur zou bovendien verbannen zijn naar de periferie. Af en toe wordt verwezen naar een enkele idealistisch gedreven docent, een paradijsvogel, die als een soort verdwaalde hobbyist probeert de liefde voor de taal bij leerlingen aan te wakkeren.

Natuurlijk deel ik de zorgen van collega-neerlandici, die zorgen zijn oprecht. Het is dan ook geenszins mijn bedoeling de teruglopende belangstelling voor een studie Nederlands (op universitair én hbo-niveau) te bagatelliseren en het schoolvak kan zeker interessanter gemaakt worden. Ik betreur echter wel de karikaturale, eenzijdige weergave van het schoolvak, die geen recht doet aan de werkelijkheid. Eerder pleitte collega Barbara Vos op Neerlandistiek al voor meer nuance, maar helaas wordt de discussie nog steeds gedomineerd door een sterk vertekend beeld van het vak op de middelbare school. Sowieso kun je je afvragen in hoeverre studiekeuze beïnvloed wordt door de inhoud van een vak op de middelbare school. Bij mij speelde dat geen enkele rol (hoewel ik me realiseer dat één ervaring geen bewijs vormt) (noot: ik heb examen gedaan vóór de Tweede Fase werd ingevoerd).

Met de invoering van de Vernieuwde Tweede Fase werd de verplichte weging van vakonderdelen losgelaten. Dat gaf secties de mogelijkheid hun schoolexamen (SE) anders in te richten. Helaas heeft dit ook geleid tot de – in mijn ogen – zeer onwenselijke situatie om leesvaardigheid in het SE te toetsen. Op die manier weegt leesvaardigheid te zwaar mee. Gelukkig zijn er ook scholen die ervoor kiezen om andere vakonderdelen op te nemen, zoals taalkunde, toneel en creatief schrijven (zie onder andere het onderzoek van Meestringa & Ravesloot (2013)). Vanzelfsprekend besef ik dat een rijk curriculum niet op alle 642 middelbare scholen te vinden is. Dit laat echter onverlet dat de stereotiepe weergave van het vak Nederlands meer kwaad dan goed doet. Wie wil zien hoe het schoolvak in de praktijk kan worden gegeven, nodig ik hierbij graag uit een dag(deel) met me mee te kijken. Voel je welkom.

Tot slot begrijp ik dat mijn eigen ervaring en wat ik hoor en zie op scholen in mijn netwerk niet representatief zijn voor heel Nederland. Toch wil ik graag een lans breken voor mijn collega-leraren Nederlands die elke dag weer proberen leerlingen te enthousiasmeren voor hun moedertaal, soms met meer succes, soms met minder succes. Dat dit zich niet direct vertaalt in meer studenten Nederlands is om meerdere redenen te betreuren, maar laten we dan toch – als genootschap van neerlandici, van vakbroeders – samen optrekken en verantwoordelijkheid nemen voor verbetering van het moedertaalonderwijs en -onderzoek. Er zijn gelukkig al verschillende mooie initiatieven op dit vlak (zoals LItLab.nl, DOT’s, maar ook de NWO Promotiebeurs Leraren die ik zelf heb). Ik hoop dan ook dat we in een sfeer van vertrouwen en samenwerking het tij kunnen keren. Zullen we hierbij dan wel meteen afspreken dat we de karikaturen – aan meerdere zijden – voortaan overlaten aan literatoren?

Gebruikte bron: Meestringa, T. & Ravesloot, C. (2013). Het schoolexamen Nederlands havo/vwo in kaart. Levende Talen Tijdschrift, 14(2), 11-19.