De toekomst van de taalbeheersing 6/n

Door Lucas Seuren

Tot op heden heb ik in deze serie aandacht besteed aan de verscheidene reacties op Carel Jansens artikel over de toekomst van de taalbeheersing (€€€). Daarbij heb ik natuurlijk al uitgebreid mijn visie laten doorschemeren, maar voor ik de serie afsluit door Jansens reactie op de reacties onder de loep te nemen, wil ik nog wat langer stilstaan bij het belang van fundamenteel onderzoek. Een van de stellingen van Jansen was immers dat we als vakgebied primair onze aandacht op praktische vraagstukken moeten richten, en ik heb grote vraagtekens bij die ambitie. Dat is met name omdat mijn eigen subdiscipline, de Conversatieanalyse, daardoor juist als wetenschap zwakker lijkt te worden.

Vooruitgang

Als ik de wetenschappelijke tijdschriften zoals het Journal of Pragmatics en Research on Language and Social Interaction doorblader, dan valt me keer op keer weer op hoe versplinterd het onderzoek is. We houden ons allemaal bezig met overkoepelende thema’s, en natuurlijk lezen we en verwijzen we naar elkaars onderzoek, maar daar houdt het wel bij op. De vooruitgang op fundamenteel-wetenschappelijk niveau is vrij minimaal.

De Conversatieanalyse houdt zich bezig met hoe mensen elkaar in sociale interactie begrijpen. Daarvoor bestuderen we alle middelen die mensen gebruiken, van woordelijke taal tot lichaamstaal (aangenomen dat er een helder onderscheid is). Toen het vakgebied ontstond in de jaren 60 leidde dit tot revolutionaire inzichten: (i) gesprekken zijn niet chaotisch, maar sterk georganiseerd; (ii) beurtwisseling gaat via een elegant systeem, en (iii) zelfs correcties (wat we herstel noemen) hebben een interne structuur. De modellen over sociale interactie die daaruit kwamen in de jaren 70 zijn nog steeds actueel en lijken universeel toepasbaar. De normen verschillen tussen culturen, maar de modellen kunnen daarmee omgaan.

Sindsdien is er weliswaar wat vooruitgang geboekt, maar het meeste is incrementeel. Je zou kunnen zeggen dat we de modellen die in de jaren 70 zijn ontwikkeld nog altijd verder aan het uitpluizen zijn. Maar dat is zeker niet mijn principiële bezwaar tegen onze huidige werkwijze. Modellen moeten immers uitgewerkt worden willen we een systeem volledig begrijpen. Het is dus goed dat onderzoekers hele dissertaties schrijven over herstel: wat zijn de manieren waarop sprekers zichzelf corrigeren; welke strategie gebruiken ze wanneer; wat vertelt ons dit over hoe interactie werkt; wanneer corrigeren hoorders sprekers; etc. Dit zijn vragen die, zoals een team bij het Max Planck onder leiding van Nick Enfield en Mark Dingemanse heeft laten zien, universeel relevant zijn en ons dus veel vertellen over menselijke interactie en zelfs wat het is om mens te zijn.

Gefragmenteerd

Een groot deel van het onderzoek dat niet gedreven is door die modellen is gefragmenteerd en oppervlakkig. Ik bedoel daarmee niet dat het slecht onderzoek is, maar dat de resultaten weinig informatief zijn voor de grotere vragen waar we ons als taalkundigen, sociologen, of antropologen mee bezig houden. Er zijn legio studies die kijken naar een heel specifieke talige (of niet-talige) constructie in één taal binnen één gesprekscontext, en daar dan een analyse over schrijven. Die analyses zijn fascinerend, maar we kunnen dergelijke artikelen schrijven tot het einde der tijden is aangebroken, en nog steeds zal er meer te omschrijven zijn. Niet alleen verandert taal, maar de manier waarop we taal creatief gebruiken is (schier) oneindig, dus je kunt wel bezig blijven.

Laat ik een voorbeeld geven. In 1984 beschreef John Heritage hoe de interjectie oh in het Engels functioneert: sprekers daarmee claimen dat er is iets veranderd in hun kennis, begrip, aandacht, etc., hun cognitieve status. In de volgende dialoogjes wordt oh bijvoorbeeld gebruikt om informatie als nieuw te registreren (a) en om begrip te claimen (b):

(a)

A: You know, I really don’t have a place to stay!
B: Oh.

(b)

A: He was on the opposite side of the driver right?
B: No, he was on the same side as the driver.
A: Oh, on the back seat.

In recente jaren is er een ware stortvloed van artikelen die in andere talen naar soortgelijke interjecties kijken. Tot zover geen probleem: het kan ons inzicht bieden in de universaliteiten van taal, zoals eerder genoemde studie van Enfield en Dingemanse en collega’s. Maar dat gebeurt niet. Menig artikel beschrijft simpelweg hoe een interjectie werkt in het Japans, IJslands, Frans, Deens, of welke taal dan ook, en laat het daar bij. (Ik maak me daar ook schuldig aan.) En veelal zijn die inzichten niet verrassend. Hooguit blijkt de ene taal iets gevarieerder dan de andere. Ik wil daarmee niet zeggen dat deze studies onzinnig zijn, maar dat zoals ze nu worden opgezet ze ons inzicht in sociale interactie en (universele) taal niet verder helpen.

Modellen

Het probleem is dat het ontbreekt aan theorieën en/of modellen. De kracht van de discipline in het begin was de ontwikkeling van een beurtwisselingsmodel en een model voor herstel. En de kracht van een onderzoekscentrum als het Max Planck in Nijmegen is dat ze talen bij elkaar brengen en de onderliggende mechanismen van taal en interactie bestuderen. En jaarlijks komt er nog wel een artikel uit waarin de auteurs proberen een breder model te ontwikkelen over bijvoorbeeld lichaamstaal of wanneer en hoe we elkaar helpen. Maar dat zijn helaas de uitzonderingen en niet de regel. Wil de discipline verder komen, dan hebben we theorieën en modellen nodig die uitgewerkt en getoetst kunnen worden. Ik kijk jaloers naar de “echte” taalkunde, zoals de Generativistische traditie, die werkt vanuit een heldere theorie en modellen die je kunt toetsen en uitwerken: dat is hoe je echt verder komt in wetenschap.

Nu heb ik het hier alleen over de Conversatieanalyse, maar ik denk dat dit een breder probleem is binnen de Taalbeheersing. Er zijn hier en daar modellen, maar de strekking is klein en veel onderzoek is fragmentarisch. En daar ligt het gevaar van een praktijkgedreven onderzoek: wie voornamelijk kijkt naar praktische vraagstukken, moet het wiel elke keer grotendeels opnieuw uitvinden. Met een gedegen theorie-gedreven fundament zijn praktische vraagstukken veel eenvoudiger op te lossen. Het is een beetje alsof je zou zeggen dat de bèta wetenschap zich in de eerste plaats op bouwkundige vraagstukken moet richten. Zonder alle natuurkundige en wiskundige theorieën schiet dat niet op. Je kunt wel vooruitgang boeken, maar het is een vooruitgang zonder echt begrip.

Wetenschap

Laten we dus vooral praktische vraagstukken onderzoeken en de maatschappij verder helpen, zoals Jansen ook betoogt. Wetenschap mag en moet absoluut nut hebben. Maar het is zaak daarbij niet uit het oog te verliezen dat wetenschap in de eerste plaats draait om het genereren, beantwoorden, en weer genereren van vragen: het krijgen van diepere inzichten in ons bestaan en de wereld om ons heen. Taalbeheersing is in dat opzicht niet anders dan natuurkunde of biologie. Het zijn juist de fundamentele inzichten die een wetenschappelijke discipline rechtvaardigen als wetenschap.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.