Bourdieu meten

Door Marc van Oostendorp

Wie als kind genoeg naar Mozart luistert, wordt vanzelf rijk en succesvol. Dat is één van de conclusies die je kunt trekken uit het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu,  al decennia lang een van de meest geciteerde denkers over cultuur. Door te investeren in culturele kennis, door ‘cultureel kapitaal’ te verwerven, kun je aan andere mensen met cultureel kapitaal laten weten dat je bij hen hoort. Omdat er een correlatie is tussen cultureel en economisch kapitaal, vergroot je door naar Mozart te luisteren dus je kansen ook op andere markten.

Dat is allemaal aardig gezegd, en het heeft dus al menige vaderlandse cultuurwetenschapper geïnspireerd, maar is het ook waar? Er zijn onderzoekers die menen dat iets pas waar is als er structural equation modeling of een andere geavanceerde statistische techniek bij is komen kijken (het statistisch pakket R is het cultureel kapitaal van de hedendaagse academie). En zo verscheen er nu dan in het tijdschrift Poetics een artikel met de indrukwekkende titel The effects of parents’ lifestyle on their children’s status attainment and lifestyle in the Netherlands

En wat blijkt? Kinderen van mensen die naar Mozart luisteren als ze volwassen zijn zelf gemiddeld vaker naar Mozart dan kinderen van mensen die alleen van Hepie & Hepie genieten. Zoals mensen ook hun ‘gerichtheid op luxe’ aan hun kinderen blijken door te geven. Bovendien lijken zowel de gerichtheid op luxe als die op cultuur de kansen van kinderen op later economisch succes te vergroten.

Heeft Bourdieu dus gelijk? Het is niet duidelijk dat dit, ondanks de structural equation modeling, blijkt uit dit onderzoek. Het probleem daarbij is dat van causaliteit. Het is niet per se gezegd dat de culturele belangstelling van ouders die van hun kinderen veroorzaakt, en al helemaal niet dat deze een oorzaak is van hun latere succes. Je zou bijvoorbeeld ook kunnen veronderstellen dat mensen die veel tijd over hebben voor kunst en cultuur nu eenmaal slimmer zijn, of meer aandacht hebben voor hun kinderen, of die kinderen ook beter te eten geven. Dat is zo ongeveer de eerste les over causaliteit: dat een gevonden correlatie niet meteen betekent dat het ene het ander veroorzaakt. Dat er een derde factor kan zijn die beide veroorzaakt.

Nu zeggen de auteurs (impliciet): ja, maar wij hebben een voorspelling van Bourdieu genomen en die getoetst. Hij blijkt te kloppen, met mogelijke alternatieve verklaringen voor dat feit hebben wij niks te maken. Daar hebben zij dan ook wel weer een beetje gelijk in: ze laten zien dat het effect waar Bourdieu het over heeft, bestaat. Als mensen betere theorieën hebben over dat effect, moeten ze eerst maar eens komen met die theorieën.