Arie de Jager en de crisis in de hedendaagse neerlandistiek

door Peter-Arno Coppen

In Neerlandistiek van 25 april 2019 werd verwezen naar een boek getiteld Arie de Jager and the Crisis in Contemporary Dutch Studies, echter zonder verdere bronvermelding. Vermoedelijk is het boek bij een obscure uitgever gepubliceerd, of misschien in eigen beheer. Ik heb het in elk geval nergens kunnen vinden.

Ik ben natuurlijk wel zeer geïnteresseerd in de inhoud, aangezien de onderwerpen uit de titel mij wel aanspreken. Vooral wat een negentiende-eeuwse taalkundige (hij was deze week precies 142 jaar dood) te maken zou kunnen hebben met de hedendaagse situatie in de neerlandistiek is een intrigerende vraag. Bij nader inzien valt het antwoord op die vraag echter wel enigszins te reconstrueren.

Taalkritiek

Het boek zal ongetwijfeld beginnen met een discussie uit 1826 tussen dominee Johan Gerhard Kalckhoff en Arie de Jager in het tijdschrift Vaderlandsche letteroefeningen. De dominee had daarin een artikel gepubliceerd dat bestond uit een aaneenschakeling van wat wij tegenwoordig taalergernissen zouden noemen. Hij begon dat artikel met een soort apologie, dat hij een aantal jaren geplaagd was door een verminderend gezichtsvermogen, maar dat had ook zijn voordelen:

“Gelukkiglijk, echter, heeft eene soort van taalkundig gehoor of gevoel (hoe zal ik het noemen?) dat gemis eenigermate vergoed, en mij in staat gesteld, om mij, bij monde en pen, in het Nederduitsch eenigzins dragelijk uit te drukken, zonder lompe Germanismen”

Kalckhoff vond zichzelf dus buitengewoon taalgevoelig, vandaar dat hij zich zo vaak stoorde aan onnauwkeurigheden in het taalgebruik van anderen. Overigens voegde hij bij het woord Germanismen nog de voetnoot toe: “Zou men, voor dat bastaardwood, niet kunnen zeggen: Duitschachtigheden of Duitschaardigheden?” Hiermee is de klassieke taalergeraar, ook die van vandaag de dag, wel gekarakteriseerd. In brievenrubrieken van kranten en tijdschriften van de afgelopen jaren kom je dit soort geluiden nog wel tegen.

Waar stoorde Kalckhoff zich dan zoal aan? Welnu:

“B.v. wanneer velen, ook taalkundigen, niet alleen in den dagelijkschen omgang, maar ook op den predikstoel, de laatste n van de op en uitgaande woorden doorgaans zoodanig opslokken, alsof die letter er niet bij behoorde, en er aldus geschreven moest worden: ‘Wij zijn hede zaamgekome, om te overdenke, wat wij te doen hebbe, om getroost te leve en te sterve. Bidde wij om een’ zege.’”

Ook dit is een procedé dat heden ten dage nog door taalergeraars gebezigd wordt. Als je een taalfout aan de kaak wilt stellen, doe dat dan met een voorbeeld waarbij je een stapeling in een zin propt, en dik een en ander ook in de spelling flink aan.

In het volgende nummer van het tijdschrift reageert een jonge taalkundige hierop: de twintigjarige Arie de Jager uit Delftshaven (het is de eerste publicatie van De Jager op dbnl). De Jager laat geen spaan heel van het geneuzel van de taaldilettant, en schrijft onder andere over die uitspraak:

“Ik voor mij houde gezegde uitspraak voor niet zoo stootend, althans voor minder stootend, dan wanneer men die uitgangen zoo duidelijk hoort uitspreken als en in gewennen enz., hetwelk evenwel niet zelden het geval is. Over het algemeen ben ik het, in dit opzigt, met die geleerden eens, die meenen, dat onze taal hare zoetvloeijendheid en schoonheid grootendeels verliest, wanneer men de woorden uitspreekt, zoo als wij dezelve thans schrijven. Inderdaad het klinkt in een Hollandsch oor zeer wanluidend, in het woord ontvangen al de letters te hooren uitspreken, zoodat achter ont, als ’t ware, eene rust vereischt wordt, om de zachtheid der v wel te doen hooren, (even als men de Fransche v zeer zacht uitspreekt) en de twee laatste lettergrepen van-gen worden uitgesproken, zonder in aanmerking te nemen, dat het teeken ng niet kan gescheiden worden, en men ook geenszins de g moet uitspreken als in gaan enz., even min als in de Fransche woorden: poing, seing etc.”

Met andere woorden: De Jager keert zich hier tegen de zogeheten spellinguitspraak, en breekt een lans voor de natuurlijke spreektaal. Dit zal vijfentwintig jaar later nog een fundamentele discussie in de neerlandistiek worden, als de Groningse hoogleraar Taco Roorda het primaat van de spreektaal boven de schrijftaal bepleit.

Ook het purisme, dat uit de voetnoot bij het woord Germanisme ademt, krijgt van De Jager een veeg uit de pan:

“Het zij mij ten slotte vergund, iets aan te merken omtrent de vertaling van het woord Germanisme. Niemand kan minder dan ik gezet zijn op het bezigen van bastaardwoorden in onze taal, hetwelk, vooral in den beschaafden omgangsstijl, bij velen vrij dikwijls plaats vindt. Doch, wanneer het op wetenschappelijke termen aankomt, schijnt het mij verkieslijk toe, zich te bedienen van zoodanige woorden, als daarvoor zijn aangenomen, en die dadelijk de bewuste zaak doen verstaan. Ik geloof zelfs, dat menige verhandeling onverstaanbaar zou worden, indien men de daarin voorkomende onhollandsche woorden door Hollandsche wilde vervangen, te meer daar vele derzelve niet voor bloote vertaling vatbaar zijn, maar somtijds eene breedvoerige omschrijving behoeven.”

Deze opvatting is heden ten dage nog springlevend en actueel in de discussie over de verengelsing van het onderwijs. De Jager keert zich tegen een overdreven purisme en bepleit een zekere tolerantie ten aanzien van het bezigen van een internationale lingua franca in de wetenschap.

Het kan niet anders dan dat het boek uitvoerig aandacht zal besteden aan deze polemiek, waarin Arie de Jager de toon zet voor een discussie die bijna 200 jaar zal voortduren.

Visie op taalonderwijs

Hoewel de inhoud van de rest van het boek moeilijk in te schatten is, zal ook een korte bespreking uit 1869 van een toelichting op de Wet op het Lager Onderwijs van 1857 (‘Eene allernuttigste handleiding’) de auteurs niet ontgaan zijn. Daarin bespreekt de inmiddels 63-jarige De Jager met instemming een handleiding van de inspecteur van het Lager Onderwijs te Groningen, S. Blaupot ten Cate. Die bespreking begint zo:

“Ik twijfel of er eene wet zij, welker totstandbrenging meer voeten in de aarde had, dan die op het Lager Onderwijs, van 1857. Wie haar noemt, brengt zich te gelijk voor den geest eene reeks van proefnemingen die haar voorafgingen, eenen strijd van meeningen die tallooze pennen in beweging bracht en het der bevoegde macht onmogelijk scheen te maken, een ontwerp aan te bieden, dat – ik zeg niet aller, maar dan toch – der meesten verlangen zou bevredigen.”

Het is bijna spookachtig, maar als je hierin de wet op het Lager Onderwijs vervangt door het advies over het nieuwe curriculum voor het schoolvak Nederlands, dan zie je een perfecte karakterisering van het debat dat de gehele operatie curriculum.nu van 2018 met zich mee heeft gebracht. Veel meningen, en bijna onmogelijk om een resultaat te krijgen dat ‘der meesten verlangen’ bevredigt. Ook hier is De Jager zijn tijd dus weer ver vooruit.

Wat schrijft hij verder over die onderwijswet? Welnu, hij citeert vooral met instemming artikel 23:

“Dit art. bepaalt in de eerste alinea: ‘Het schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen en hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden.’ En in de tweede: ‘De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.’”

Tegenwoordig zouden we dit karakteriseren als een instrumentele visie op het taalonderwijs (‘gepaste en nuttige kundigheden’), echter ‘dienstbaar gemaakt’ aan twee aspecten, die we tegenwoordig zouden omschrijven als denk- en persoonlijkheidsontwikkeling (‘de verstandelijke vermogens der kinderen’) en socialisatie (‘hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden’). Dit is precies de worsteling die de discussie over het schoolvak Nederlands van de afgelopen decennia heeft gedomineerd.

De Jager vindt deze uitgangspunten prima, en hij verbaast zich over de landelijke commotie:

“[W]at is er dan van de ergernissen, die zij gezegd wordt, zoovelen in den Lande te geven? Wat heeft men te denken van het geschreeuw, dat steeds, en bepaaldelijk in den laatsten tijd, ook in onze beide Kamers der Staten-Generaal, wordt aangeheven over partijdige, oneerlijke toepassing der Wet door onderwijzers en schoolbesturen, zoodat een aanzienlijk deel der bevolking (zegt men) bezwaar moet vinden, van het Openbare Lager onderwijs gebruik te maken?”

Als je dan bezwaren hebt, zegt de Jager, kom dan met bewijzen of met andere voorstellen. Maar alleen mopperen daar komen we niet verder mee.

Het lijkt me dus niet onwaarschijnlijk dat het boek Arie de Jager and the Crisis in Contemporary Dutch Studies de ingrediënten van de huidige discussie over het schoolvak Nederlands en de neerlandistiek relateert aan het werk van de bekende negentiende-eeuwse taalkundige, en concludeert dat De Jager zijn tijd ver vooruit was, dan wel dat we in 200 jaar in die hele discussie nauwelijks iets opgeschoten zijn.