“als nominatief is ’t een leelyk woord“

door Jan Stroop

Bij ’t lezen in deel 10 van Multatuli, Volledige Werken

Over U

Als trouwe volger van de blogserie over Multatuli las ik ook deel 10, een spannend deel vanwege de opbloeiende relatie van Multatuli met Mimi. Maar toen ik stuitte op de zin “en U zal zien dat ik werken wil” (brief van 3 september 1859), begon ik wat nadrukkelijker op zijn taalgebruik te letten. Door dat ‘U zal’ herinnerde ik me namelijk dat Multatuli moeite had met de richting waarin ’t voornaamwoord voor de tweede persoon zich in zijn tijd ontwikkelde. In Idee 47 (1862) lucht ie er zijn hart over:

“Ik bied ’n vel druks voor ’n goed voornaamwoord van de tweede persoon. Maar er mag geen g in komen. Ook geen ij, noch y. Ook geen ou.
U is goed als akkusatief. Maar als nominatief is ’t een leelyk woord, en verraadt z’n possessieven oorsprong. U is, beduidt: de Edelheid van U is, uwe Edelheid is, U.E.D. is, U.E. is, uwee is.”

Dan toch eens kijken, dacht ik, of er van die worsteling ook iets te merken valt in zijn eigen praktijk. Deel 10 is daar geschikt voor omdat ’t de periode omvat waarin Multatuli bovenstaand Idee schreef, 1858-1862. Bovendien waren toen zijn relaties met de personen die op zijn levenspad verschenen zo divers dat ze een zwaar beroep deden op zijn improviserend pronominaal vermogen.

Eerst iets over zijn gebruik van de pronomina. In de brieven in deel 10 van de Volledige werken blijkt dat hij wat de aanduiding met voornaamwoorden betreft er nog niet uit is. Hij gebruikt er drie voor de tweede persoon enkelvoud: je, gij en u. Je alleen tegen intimi, als Tine, Mimi en d’Ablaing, de uitgever met wie Multatuli in 1862 bevriend geraakte.

Dat gebruik van je komt ook voor als Mimi Multatuli schrijft, zoals blijkt als hij citeert uit een brief (Mimi’s brieven zelf zijn niet bewaard). “Daarmeê zal ik je lang plagen! In ’t p.s. van dien brief zeg je: ‘ik heb zooveel aan je gedacht.’” (Brief van Multatuli aan Mimi, 2 1862)

Maar dat je-gebruik is toch niet wat hij onder ‘tutoyeren’ verstaat, want hij smeekt haar:
 “O, tutoyeer mij ook, en laat onze hooghartigheid indedaad hoogheid van hart zijn. Ik vind het zoo prettig alle wereld wegtegooien. Mijn nichtje, een kind mijner zuster, ja zelfs haar broêrtje (van 14 jaar) noemen mij Eduard. Het oomschap vatten ze niet in mij.” (2 mei 1862)

‘Tutoyeren’ betekent dus dat Mimi hem voortaan ‘Eduard’ moet noemen. Met ’t gebruik van bepaald pronomen heeft dat niets te maken, want hij spreekt haar daarvoor ook al aan met je. Maar systeem in zijn gebruik van de voornaamwoorden kan ik niet ontdekken. Zie dit fragment uit diezelfde brief van 2 mei 1862: Uw hart heeft U, zonder dat gijzelve daaraan dacht, iets in de pen gegeven dat voor een opmerker frappant is. Weet je nog ’t begin van uw tweeden brief?

Maar dan nu dat problematische U. Multatuli gebruikt u doorgaans als objectsvorm en na lidwoorden. Hij heeft een hekel aan U als subject, maar ’t komt toch voor, zij ’t sporadisch. Dan neemt ie de persoonsvorm van de derde persoon, overeenkomstig wat ie zegt in Idee 47. U is immers nog ’t restant van ‘uwe edelheid’ en is dus van oorsprong een bezittelijk voornaamwoord.

Voor mijn verkenning heb ik alleen gekeken naar de onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd, omdat die een aparte vorm voor de tweede persoon hebben, die verschilt van die van de derde persoon. Verder alleen naar de combinatie onderwerp-persoonsvorm en andersom in de hoofdzin: ‘u wil’ en ‘wil u’. Bijzinnen in de DBNL (Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren) kun je (kan ik) niet op twee uit elkaar staande woorden doorzoeken; voorbeeld: ‘dat u dat zeker wil’.

In deel 10 van de Volledige Werken (1958-1862) komt de combinatie U plus de persoonsvorm van de derde persoon 17 keer voor: vijf keer met wil; 1 keer met mag; zes keer met zal; vier keer met heeft en een keer met is.

Enkele citaten, allemaal uit brieven aan Jacob van Lennep uit de periode die de laatste zich bezighield met ‘Max Havelaar’:
maar U zal zien dat ik er toe gedwongen ben, in een brief aan (10 december 1859)
Wil U dat even inzien, en is U ’t daarmeê à peu prés eens? (zondag 22 febr 1860)
Schrijft U wat U wil? (22 febr 1860)
Wil U zoogoed wezen Zed te zeggen dat ik eerstdaags een bezoek bij den Heer van Vloten brengen zal. 25 jan. 1860
Wil U dat S.V.P. als de gelegenheid zich aanbiedt voor mij goed maken. (31 jan. 1860).

Toch is Multatuli daarin niet helemaal consequent want in ’tzelfde jaar schrijft ie twee keer aan Van Lennep in de tweede persoon: Wilt U hem eens onder handen nemen (18 juni 1860). En: Wilt U dien kleinen jongen toch eens zeggen dat hij zijne handen niet in zijn zak steekt. (29 en 30 augustus 1860).

In Max Havelaar heb ik één geval van U als onderwerp aangetroffen, waarbij de persoonsvorm van de derde persoon herkenbaar is: U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng, zei Verbrugge. (MH 7e hfst)

In deel 11 van de Volledige Werken (1862-1866) hetzelfde beeld: vier keer u met wil, twee keer met zal, drie keer met heeft, alle in brieven aan Johannes van Vloten (taal- en letterkundige, o.a.). Van Lennep en Van Vloten moesten naar ’t gevoelen van Multatuli blijkbaar met egards benaderd worden. Overigens gebruikt ie in al zijn brieven op grote schaal ’t voornaamwoord gij/ge, ook in de brieven aan Van Lennep en van Vloten, daar dus naast u.

Om te zien welke kant ’t op zou gaan, heb ik de delen 19 tot en met 25 van de Volledige Werken doorzocht. Ze beslaan de periode 1878 tot 1887, en zijn dus van ongeveer twintig tot vijfentwintig jaar na deel 10.

Opvallend is dat in deze periode U als subject nog maar zelden voorkomt. Nog wel in dit geval, waar Multatuli in de trein in gesprek raakt met een voornaam persoon, de heer J. Schepel (1833-1909), Nederlands landbouwkundige en liberaal politicus, die van 1865-70 burgemeester van Winsum was en van 1874-1901 lid van de Tweede Kamer:

“- Dan is U m’nheer Schepel, zei ik
– Jawel, zoo heet ik!
– Dan is u familie van m’n vrouw!” (Brief van Multatuli aan Mimi, 1 maart 1880, deel 20).

In dit voorbeeld gebruikt Multatuli de derde persoon,  in ’t volgende de tweede persoon:
Maar misschien wilt U om ’t boek niet te laten mankeeren, nog vooraf ’n andere ongeillustreerde uitgaaf gereed maken. Brief van Multatuli aan J.G. Robbers, 31 januari 1881 (Deel 21). Robbers (1838-1925) was directeur van de uitgeversmaatschappij Elsevier die in 1880 het Multatuli-fonds van G.L. Funke kocht.

In totaal komt U met de tweede persoonsvorm in de vroege periode (delen 10 en 11, 1858-1866) vijf keer voor, met de derde persoonsvorm 22 keer.
In de laatste periode, 1878-1887 één keer met de tweede persoon, vier keer met de derde, vier keer met de derde. Dat lijkt een flinke achteruitgang.
Harde conclusies durf ik niet te trekken, maar ’t lijkt er toch op dat Multatuli genoeg had van dat hybride U en zich weer tevreden stelde met gij en ge.

Daarom viel me in deel 24 deze passage op:
Zendbrief aan zeer velen.
Pleizier kennis te maken. Heel wel, dank U. U ook? Dat’s gelukkig, want als U niet wel was, zou ik d’r niets aan kunnen doen. Het weêr is…. zoo als U zegt. Gister was ‘t… zoo als U zegt. Morgen zal ’t wezen… zoo als U zegt. Alles, alles is zoo als U zegt. De Havelaar is heel mooi. Heeft U nog iets?

Maar wat blijkt: dit staat in de ‘Brieven van Multatuli aan de lezers der Ideeën’, die dateren uit 1862, precies de tijd dat ie zich nog druk maakte om dat U.

 

 

 

Over Jan Stroop

Jan Stroop is gastonderzoeker bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.
Dit bericht is geplaatst in geen categorie, letterkunde, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

1 Response to “als nominatief is ’t een leelyk woord“

  1. Henk Smout schreef:

    In het Duits is ‘euch’ tot datief/accusatief beperkt gebleven.

Laat een reactie achter