Zijn er feiten zonder experimenten?

Door Marc van Oostendorp

 

‘Kurt Gödel’

Kurt Gödel staat algemeen bekend als de auteur van de stelling van Gödel, die dan ook naar hem is genoemd. Stel echter dat de stelling eerder blijkt te zijn bedacht en bewezen door een zekere Schmidt, die onder verdachte omstandigheden stierf voor hij zijn resultaten bekend kon maken. Die resultaten kwamen vervolgens in handen van Gödel, die er goede sier mee maakte. De vraag is nu naar wie verwijst de naam Gödel in de naam van de stelling? Naar de persoon die de stelling van Gödel heeft bedacht (dus Schmidt), of naar de persoon die diefstal heeft gepleegd?

De theorie van namen van de zeer invloedrijke filosoof Saul Kripke is gebaseerd op het idee dat in dit geval Gödel de naam was van de dief. Hij bewees zijn theorie met het bovenstaande verhaaltje: een gedachtenexperiment. Het lijkt volkomen absurd om te zeggen dat onder deze omstandigheden Schmidt Gödel heet.

Zo’n gedachtenexperiment werkt als volgt: je bedenkt een verhaaltje en je bedenkt wat de plausibele uitkomst is. Die zet je dan in een boek en iedereen is overtuigd van de waarde van jouw theorie.

Man met een verrekijker

Onwetenschappelijk! zeggen sommige zogeheten ‘experimentele filosofen’. De wetenschap moet gebaseerd zijn op gegevens die verkregen zijn uit methodologisch volkomen op de juiste manier verzamelde experimentele gegevens. Je moet heel veel proefpersonen hebben die niet precies weten wat je doet, en op basis van de gegevens van die proefpersonen moet je dan statistische analyses uitvoeren.

Dus in plaats van dat je zelf bedenkt of het scenario onwaarschijnlijk is, leg je deze kwestie aan bijvoorbeeld 200 proefpersonen voor, die dan op een schaal van 1 tot 5 kunnen kiezen tussen Schmidt en  Gödel.

Het lijkt, zeggen Samuel Schindler en Karen Brøcker in een recent artikel, op de manier waarop syntactici hun gegevens verzamelen. De zin “Wij zien de man met de verrekijker” is dubbelzinnig. Waarom? Hij heeft twee betekenissen: wij kijken door een verrekijker en zagen een man, of wij zien een man die een verrekijker bij zich draagt. Hoe weten we dat? De taalkundige weet dat na raadpleging van zijn taalgevoel.

Arbeidsintensief

Ook hier zijn – natuurlijk – allerlei mensen in opstand gekomen tegen deze vreselijk onwetenschappelijke manier van doen. Zij hebben de vraag niet gesteld aan taalkundigen maar allerlei gerandomiseerde voorbeelden van mogelijke dubbelzinnigheid aan een selectieve steekproef van proefpersonen voorgelegd, en vervolgens statistiek bedreven op de tienduizenden antwoorden die daaruit kwamen.

Het resultaat? De zin ‘wij zien de man met de verrekijker’ is dubbelzinnig.

Er is een invloedrijk onderzoek waaruit blijkt dat inderdaad vrijwel alle gegevens die in de taalkundige literatuur worden gerapporteerd, en die meestal zijn ‘verzameld’ doordat de auteur in kwestie zijn eigen taalgevoel raadpleegde, vrijwel zonder uitzondering (tegen de 100% in leerboeken, rond de 97% in wetenschappelijke artikelen) worden bevestigd als je een keurig experiment doet.

Alle reden om die experimenten die duur en arbeidsintensief zijn, soms achterwege te laten.

Duur en ingewikkeld

Nu is natuurlijk niet iedereen het ermee eens. De aanhangers van experimenten wijzen er vooral op dat het oordeel van de taalkundige gestuurd wordt door zijn kennis van de theorie. Als ik een theorie heb die zegt dat iedere zin dubbelzinnig is, zal ik eerder geneigd zijn meerdere manieren te zien waarop men met verrekijkers in de weer kan. Je hebt een ‘theoretische bias’.

Uit de experimentele gegevens blijkt eigenlijk niet veel van die bias. Bovendien staat daar, zeggen Schindler en Brøcker, tegenover dat niet-taalkundigen dit soort taken vaak heel lastig vinden. Ze zijn bijvoorbeeld niet zo gewend om dubbelzinnigheden eruit te vissen, want in het dagelijks leven kies je meestal één betekenis en daar houd je je dan verder aan vast. Taalkundigen zijn betere beoordelaars, niet omdat ze slimmer zijn of een ander of beter taalgevoel hebben, maar omdat ze getraind zijn om taal te analyseren.

Schindler en Brøcker betrekken deze uitkomst – het soort ‘informele’ gegevens waarop veel taalkunde is gebaseerd is helemaal niet per se onwetenschappelijk – vervolgens op de wijsbegeerte, zoals de namentheorie. Daarmee is dan wel iets vreemds aan de hand, want in een in China uitgevoerd experiment bleek dat een substantieel deel van de deelnemers vond dat je degene die de stelling van Gödel had bedacht wel degelijk Gödel kon noemen, ook als hij Schmidt was. Ze leggen niet goed uit wat we hiermee moeten: wisten die Chinese deelnemers niet goed wat er eigenlijk werd gevraagd? Is er een foutje in de vertaling geschoven?

Want mij lijkt de uitkomst van de taalkundige discussie eigenlijk: experimenten zijn belangrijk, en in sommige gevallen misschien inderdaad de gouden standaard. Alleen zijn ze ook duur en ingewikkeld en blijken ze in veel gevallen niet nodig. In zulke gevallen kun je ze achterwege laten.

 

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Zijn er feiten zonder experimenten?

  1. Henk Smout schreef:

    “Wij zien de man met de verrekijker” en “Wij zien de man met de verrekijker”, dat is twee keer dezelfde schriftelijke vorm maar afhankelijk van de betekenis twee verschillende zinnen met ieder een verschillende zinsmelodie, zoals ik ooit van E.M. Uhlenbeck heb geleerd.

Laat een reactie achter