‘Relevantie en opbrengsten’

Door Marc Kregting

Gestaag maakt De praktijk van de leeslijst me duidelijk dat ik in een parallel universum leef. Jeroen Dera concretiseert in dat rapport welke boeken Nederlandse middelbarescholieren in 2018 tot zich hebben genomen. En hoewel hij een slag om de arm houdt over de representativiteit van zijn 1886 deelnemers uit havo en vwo, is de proef volgens hem statistisch safe. Ik vertrouw op zijn kunde en ben dan van mijn melk.

Deze scholieren consumeren van alles, bewonderenswaardig divers. Op hun lijst, ondergebracht in een bijlage, staan 725 verschillende auteurs. Dera geeft daar het nodige commentaar bij: scheve verhoudingen tussen vrouwen en mannen, tussen westers en niet-westers, de onbekendheid met Vlaanderen. Maar hij zwijgt erover dat de keuze van de scholieren ongewild de spot drijft met wat jury’s, neerlandici en dies meer voor belangrijke boeken houden. Da’s uiteraard ook lollig.

Pregeselecteerd

Ik ijk mijn ongeloof aan highlights uit het achterliggende decennium.

Eerst wend ik me tot het kwetsbaarste genre: poëzie. Mij vallen de kwantitatieve interesse en reikwijdte van scholieren dan reuze mee. De kneep zit echter in een vergelijking met de laureaten van de VSB-prijs. Inmiddels mag die een andere naam dragen, de media-aandacht is nog altijd groter dan voor welke poëzieanalyse ook. Maar scholieren lazen de winnaars Armando, Baars, Knibbe en Perquin minimaal. Bij Van Binsbergen, De Kom, Lauwereyns en de Vlaamse god Nolens bleef de dienstdoende bundel zelfs helemaal gesloten. En ik vrees dat dit ook de trend is bij erediensten voor aantrekkelijker genres.

Terug tot 2008 in de P.C. Hooft-prijs, blijkt geen van de bekroonden hoge ogen te gooien bij de scholieren die, ik wil dat benadrukken, een veelheid aan auteurs lazen. De meerderheid die van instituties de hoogste onderscheiding kregen, staat bij niemand op de lijst: Heijne, Oosterhoff, Roemer, De Swaan, Verhagen, Wijnberg. Wanneer ik dit resultaat afzet tegen een andere illustere staatsbekroning, de Constantijn Huygensprijs, verandert er weinig. Hier worden laureaten relatief iets meer gelezen maar, ofschoon Van Dis, Grunberg en Lanoye tot hen behoren, niet ‘significant’. De belangstelling voor Jongstra is verwaarloosbaar, en is zelfs nihil voor Snijders en Tentije.

Ligt dat verschil aan het soort prijs? Ik toets die veronderstelling aan twee sponsorevenementen. Bij de Librisprijs wijkt de status van de winnaars niet noemenswaard af van het voorafgaande, ondanks het feit dat weer Van Dis tussen hen zit en Palmen. De bekroonde Hooijer is volledig voorbijgegaan aan scholieren. Louter Wieringa wordt echt veel gelezen. Die is tevens witte raaf tussen de winnaars van de AKO-prijs (later ECI-literatuurprijs en Bookspot Literatuurprijs). Daar staat tegenover dat Van Reybrouck, internationaal evenzeer een reputatie, door geen enkele scholier op de lijst is gezet. Net als Koen Peeters.

Aan de hand van Dera kunnen die twee zuidelijke uitzonderingen worden gerelativeerd. Volgens hem is de kennis van Vlaamse literatuur gering onder noordelijke scholieren (en onder leraren?). Wel behoren tot hun absolute top uitgerekend Brijs en Spit. Bij de lijst favoriete boeken kruip ik zelf net zo goed in het stof: ik heb bijna geen enkele titel gelezen. Alleen Montyn, dat me atypisch lijkt voor het werk van Kooyman, en Spit, niet met het grootste genoegen. En over de nummer 1 heb ik louter beschouwende tekst gezien die me deed vermoeden dat hij me niet direct zal bekoren.

Van de minst gewaardeerde boeken zijn me er een stuk meer bekend. Volgens Dera zal dat komen door hun canonieke aard, waaraan ik als neerlandicus gehoorzaam. Ik twijfel aan die ondubbelzinnige observatie. Tussen de laagste gewaardeerde teksten zaten bijvoorbeeld Minco’s De val en Elsschots Kaas – die in mijn jeugd geliefd waren door hun toegankelijkheid en geringe omvang. Ook de lage dunk van ’T Harts Een vlucht regenwulpen verbaast. Niet alleen omdat deze bestseller veeleer aan de rand van een canon zit, maar vooral vanwege de thematiek én massale verspreiding bij zo’n leesactie van de CPNB. Het effect van die campagnes stelt sowieso teleur voor scholieren: Arion, Snijders, Thijssen en Van Velde weten bij hen evenmin potten te breken. En het aldus van Mulisch gepromote Twee vrouwen wordt door scholieren veel minder geselecteerd dan De aanslag.

Dat laatste weetje haal ik uit Dera’s gespecificeerde ranglijst van meest gelezen boeken. Hij probeert daarmee aannemelijk te maken dat ‘veelgelezen’ niet hetzelfde is als ‘goed gewaardeerd’. En dat zou liggen aan ‘de canon’. Met dit allerminst statische begrip, naar mijn gevoel tegenwoordig reflexmatig gebruikt, begeeft Dera zich op glad ijs. Dan zijn al dan niet pregeselecteerde teksten uit het verleden, zeker die voor 1880, inmiddels verplichte nummers. Maar zijn ze niet altijd zo een beetje ervaren? Is Vondel ooit een succesnummer geweest op de middelbare school? Hooguit zijn jongeren nu, al was het omdat ze voortdurend naar hun mening worden gevraagd, minder beschroomd ongenoegen te uiten. Dera nam geen risico: ‘Om sociale wenselijkheid zo veel mogelijk te beperken, werd hierbij geëxpliciteerd dat hun docent deze gegevens niet te zien zou krijgen.’

Leesplezierontnemend

Dera’s data verdienen een genuanceerdere duiding. Joe Speedboot van de geliefde Wieringa blijkt een boek dat scholieren niet helemaal uitlezen. In die treurige omstandigheid is er een kampioen: Max Havelaar. Van de 1886 scholieren was Multatuli’s klassieker op het vwo nochtans de op twee na meest geselecteerde titel, terwijl de roman op het havo slechts bij veertien respondenten voorkwam (vwo’ers moeten drie werken van voor 1880 op hun leeslijst zetten, havisten kunnen volstaan met de grote historische lijn). Ongrijpbaar vind ik desalniettemin dat makkelijker boeken als Turks fruit en Sonny Boy ook in die lage uitleesregionen zitten, terwijl de hoogste scores op dat vlak weggelegd zijn voor minder eenvoudige titels als Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde en Hersenschimmen. Wat het kennisnemen betreft passeren deze drie zelfs het gekende, meest geselecteerde boek Het gouden ei.

Meest gewaardeerd in dit succesrijtje zijn dan weer Hersenschimmen en Sonny Boy, terwijl op dat vlak Karel ende Elegast en Van den vos Reynaerde inderdaad onderaan bungelen. De vraag is wel waarom zo’n relatief grote inspanning voor die canonieke werken werd geleverd die achterwege bleef bij soortgenoot Max Havelaar. En waarom de vreugde van Joe Speedboot dan weer voortijdig stopte, temeer daar van alle geselecteerde werken 63,2% volledig door leerlingen werd gelezen. Tot slot zou ik willen weten, waaraan Tim Krabbés Het gouden ei zijn schier onaantastbare koppositie precies te danken heeft bij scholieren. Ze lezen er minder in en waarderen het lager dan menige andere titel.

Juist die waardering vindt Dera belangrijk. Hij verklaart er voornemens bij scholieren uit om na de middelbare school al dan niet te lezen. Zelf had ik begrepen dat juist leesloopbanen uiterst grillig zijn. Maar misschien moest de wetenschapper dit punt wel behandelen van zijn opdrachtgever – die ook wilde weten of er in prestaties en leesgedrag verschillen bestaan tussen leerlingen met een westerse en niet-westerse achtergrond. Gelukkig, en naar mij lijkt voorspelbaar, was het antwoord nee.

Blijft de constatering dat Dera’s leesplezierontnemende canon niet rijmt met zijn data naarmate het heden nadert. Laat ik testen vanaf de Tweede Wereldoorlog. Tussen de vele titels die de scholieren hebben gelezen zit er geen enkele van een Vijftiger. Ook de Zestigers schitteren door afwezigheid – alleen de latere Bernlef treedt als prozaschrijver aan. Uit de jaren zeventig resteert er bij de lezers van de toekomst een beetje ’T Hart en Van Keulen, en is de bijdrage minimaal van auteurs als Hotz, De Jong, Kellendonk. Van debutanten uit de jaren tachtig verschrompelt Mutsaers in verhouding tot de kritische waardering, en Palmen in vergelijking tot de media-aandacht. De alomtegenwoordige Gerbrandy, die in de jaren negentig startte, is bij scholieren volledig afwezig. Uit dat decennium blijft vooralsnog het minder kritisch verwende De tweeling van De Loo populair.

Pas bij schrijvers van de eenentwintigste eeuw hervinden scholieren het geloof. Wieringa is de leidsman, en ook het werk van Koch – die veel eerder debuteerde – slaat aan. Ironischerwijs blijft het concept van De Grote Drie, dat volwassenen lezers en literatuurhistorici hebben herzien, redelijk in tact. Mulisch en Hermans (en Wolkers) lezen scholieren nog volop, terwijl Reve (en Boon en Claus) bij hen wegdeemstert.

Majority-minority

Gezien dit complete beeld, dat ronduit diffuus is, vind ik Dera te eenduidig met zijn aanbevelingen. Volgens hem staan canonieke teksten te ver van ‘de belevingswereld van de leerling’ en moeten docenten meer ingaan op hun ‘relevantie en opbrengsten’. Ik probeer me niet voor te stellen wat Dera bedoelt met ‘werkvormen die canonieke teksten interessanter maken voor tieners of een beroep doen op hun creatieve vermogens’. Op zichzelf heeft Dera groot gelijk wanneer hij adviseert leerlingen ruimte te geven voor boeken die aansluiten op hun persoonlijke interesses. Hij denkt dan aan adolescentenromans en thrillers. Maar op zijn succeslijsten staan auteurs als Kluun, Noort, Van der Vlugt, Slee en Verhoef niet bijster hoog. Ook Op de Beeck, die door de literaire kritiek naar die hoek gedreven wordt, neemt een minder soevereine positie in bij scholieren dan op bestsellerlijsten.

Lastig vindt Dera daarentegen historische literatuur. Meer succes kan dat genre volgens hem halen door onderzoek ‘naar manieren waarop zulke teksten verlevendigd kunnen worden om aansluiting te vinden bij de belevingswereld van leerlingen. Ook zou er geïnvesteerd kunnen worden in nieuwe, multimediale edities (of hertalingen)’. Om twee redenen ben ik niet overtuigd. Ten eerste laat de Vlaming Bart Van Loo al jaren zien met boeken en optredens, dat er alvast onder volwassenen een groot, gemêleerd publiek bestaat voor historische literatuur. Daarnaast tonen jongeren zelf dat Harry Potter-verhalen, waar naast fantasy zeker vleugjes geschiedenis in te vinden zijn, over de hele wereld kunnen aanslaan.

Opzienbarend zijn Dera’s overzichten voor opinisten. Zijn resultaten frapperen mij ongetwijfeld ook omdat ik studie heb gedaan naar dit type auteur dat publiekelijk sociaal-maatschappelijk engagement demonstreert. Toch had ik het al over Grunberg, en ik kan ook Pfeijffer en Zwagerman noemen – op basis van hun aanwezigheid in de media mochten hogere scores bij scholieren worden verwacht. Andere auteurs die zich mengen in het publieke debat blijken nog minder vertrouwd bij de jongere generatie: Februari, Giphart, Van Istendael, Komrij, Lanoye, Nasr, Weijts (o zijn fuck aan de canon!). Compleet afwezig zijn: Barnard, Heijne, Lamrabet, Meulenbelt, Naegels, Ouariachi, Pruis, Reugebrink, Van Reybrouck, Van Saarloos, Sanders, Six, De Vos, Waterdrinker en leeslijst-afschafster Witteman.

Wankel zijn bij Dera de resultaten voor auteurs die ooit ‘allochtonen’ heetten. Ingang bij scholieren –en docenten? – vonden: Abdolah, Akyol, Amatmoekrim, Bouzamour Benali, Bouazza, Bouzamour, Dam en Yerli. Maar hun scores zijn niet bijzonder hoog. Minimaal is vooralsnog de belangstelling voor: Al Galidi, Dainan, El Azzouzi, El Bezaz, Novaire, Sahar, Samuel, Stitou, Tahir en Valiulina. Bij dit perspectief weet ik niet of de enquête representatief is. Dera zegt zelf al dat de 45 deelnemende scholen ongelijkmatig over het land zijn verdeeld. Ze zijn afkomstig uit de provincies Flevoland (1), Friesland (2), Gelderland (11), Groningen (2), Limburg (2), Noord-Brabant (8), Noord-Holland (6), Overijssel (2), Utrecht (5) en Zuid-Holland (6). Niet alleen ontbreken Drenthe en Zeeland, vooral is ongewis hoe de grote steden zijn vertegenwoordigd. Daar liggen de verhoudingen tussen mensen met en zonder migratieachtergrond toch wat anders. In mijn woonland België kwam Antwerpen recent in het nieuws met het feit dat het een majority-minority-city was geworden. Zoiets heeft allicht weerslag op de keuze voor auteurs.

Ik zou denken dat deze getallen, die gaan over burgers van de toekomst, een extra argument vormen om auteurs te laten participeren aan het onderwijs. Onlangs heb ik daar elders hardop over gedacht, dus volsta ik hier met een soortement sofisme dat literatuur gelukkig nu eens niet gaat om eigen ervaringen. Anders dan Dera wil mij het geloof in aansluiting bij een belevingswereld niet deelachtig worden. Ik zie meer in uitbreiding. Ieder mens heeft verhalen. Het belang van de neerlandistiek – letterkunde, taalkunde én communicatie –ligt erin ze te analyseren, op register en motieven. In eerste en laatste instantie is literatuur immers taal. En verschilt ze niet veel van pak ’m beet politiek. Aan de hand van Orwells roman 1984 wordt dan ook tot de dag van vandaag van alles verklaard uit de grotebozemensenwereld.

Daarom ben ik zwaar geïnteresseerd in een onderzoek naar de ontwikkeling van naoorlogse stijl in kranten en romans. De samenvatting ervan komt mij raadselachtig voor. Het desbetreffende artikel kan me echter niet bijlichten omdat het, in tegenstelling tot Jeroen Dera’s rapport, onbeschikbaar is voor derden. Dat gebeurt helaas vaker met teksten die door wetenschappers, dus op kosten van de samenleving, met veel tijd en aandacht zijn vervaardigd. Kennelijk dringt het niet tot betrokkenen (inclusief uitgevers) door dat de gemeenschap is gediend bij correcte informatie.

Alleen al zo’n onrecht kan worden uitgeplozen in literatuur. Vervolgens kunnen lezers zich over die taal buigen om positie in te nemen. Juist nu de neerlandistiek op de tocht staat, zou ik denken dat het vak onmisbaar is geworden, om te beginnen in het onderwijs.