‘Relevantie en opbrengsten’

Door Marc Kregting

Gestaag maakt De praktijk van de leeslijst me duidelijk dat ik in een parallel universum leef. Jeroen Dera concretiseert in dat rapport welke boeken Nederlandse middelbarescholieren in 2018 tot zich hebben genomen. En hoewel hij een slag om de arm houdt over de representativiteit van zijn 1886 deelnemers uit havo en vwo, is de proef volgens hem statistisch safe. Ik vertrouw op zijn kunde en ben dan van mijn melk.

Deze scholieren consumeren van alles, bewonderenswaardig divers. Op hun lijst, ondergebracht in een bijlage, staan 725 verschillende auteurs. Dera geeft daar het nodige commentaar bij: scheve verhoudingen tussen vrouwen en mannen, tussen westers en niet-westers, de onbekendheid met Vlaanderen. Maar hij zwijgt erover dat de keuze van de scholieren ongewild de spot drijft met wat jury’s, neerlandici en dies meer voor belangrijke boeken houden. Da’s uiteraard ook lollig.

Pregeselecteerd

Ik ijk mijn ongeloof aan highlights uit het achterliggende decennium.

Eerst wend ik me tot het kwetsbaarste genre: poëzie. Mij vallen de kwantitatieve interesse en reikwijdte van scholieren dan reuze mee. De kneep zit echter in een vergelijking met de laureaten van de VSB-prijs. Inmiddels mag die een andere naam dragen, de media-aandacht is nog altijd groter dan voor welke poëzieanalyse ook. Maar scholieren lazen de winnaars Armando, Baars, Knibbe en Perquin minimaal. Bij Van Binsbergen, De Kom, Lauwereyns en de Vlaamse god Nolens bleef de dienstdoende bundel zelfs helemaal gesloten. En ik vrees dat dit ook de trend is bij erediensten voor aantrekkelijker genres.

Terug tot 2008 in de P.C. Hooft-prijs, blijkt geen van de bekroonden hoge ogen te gooien bij de scholieren die, ik wil dat benadrukken, een veelheid aan auteurs lazen. De meerderheid die van instituties de hoogste onderscheiding kregen, staat bij niemand op de lijst: Heijne, Oosterhoff, Roemer, De Swaan, Verhagen, Wijnberg. Wanneer ik dit resultaat afzet tegen een andere illustere staatsbekroning, de Constantijn Huygensprijs, verandert er weinig. Hier worden laureaten relatief iets meer gelezen maar, ofschoon Van Dis, Grunberg en Lanoye tot hen behoren, niet ‘significant’. De belangstelling voor Jongstra is verwaarloosbaar, en is zelfs nihil voor Snijders en Tentije.

Ligt dat verschil aan het soort prijs? Ik toets die veronderstelling aan twee sponsorevenementen. Bij de Librisprijs wijkt de status van de winnaars niet noemenswaard af van het voorafgaande, ondanks het feit dat weer Van Dis tussen hen zit en Palmen. De bekroonde Hooijer is volledig voorbijgegaan aan scholieren. Louter Wieringa wordt echt veel gelezen. Die is tevens witte raaf tussen de winnaars van de AKO-prijs (later ECI-literatuurprijs en Bookspot Literatuurprijs). Daar staat tegenover dat Van Reybrouck, internationaal evenzeer een reputatie, door geen enkele scholier op de lijst is gezet. Net als Koen Peeters.

Aan de hand van Dera kunnen die twee zuidelijke uitzonderingen worden gerelativeerd. Volgens hem is de kennis van Vlaamse literatuur gering onder noordelijke scholieren (en onder leraren?). Wel behoren tot hun absolute top uitgerekend Brijs en Spit. Bij de lijst favoriete boeken kruip ik zelf net zo goed in het stof: ik heb bijna geen enkele titel gelezen. Alleen Montyn, dat me atypisch lijkt voor het werk van Kooyman, en Spit, niet met het grootste genoegen. En over de nummer 1 heb ik louter beschouwende tekst gezien die me deed vermoeden dat hij me niet direct zal bekoren.

Van de minst gewaardeerde boeken zijn me er een stuk meer bekend. Volgens Dera zal dat komen door hun canonieke aard, waaraan ik als neerlandicus gehoorzaam. Ik twijfel aan die ondubbelzinnige observatie. Tussen de laagste gewaardeerde teksten zaten bijvoorbeeld Minco’s De val en Elsschots Kaas – die in mijn jeugd geliefd waren door hun toegankelijkheid en geringe omvang. Ook de lage dunk van ’T Harts Een vlucht regenwulpen verbaast. Niet alleen omdat deze bestseller veeleer aan de rand van een canon zit, maar vooral vanwege de thematiek én massale verspreiding bij zo’n leesactie van de CPNB. Het effect van die campagnes stelt sowieso teleur voor scholieren: Arion, Snijders, Thijssen en Van Velde weten bij hen evenmin potten te breken. En het aldus van Mulisch gepromote Twee vrouwen wordt door scholieren veel minder geselecteerd dan De aanslag.

Dat laatste weetje haal ik uit Dera’s gespecificeerde ranglijst van meest gelezen boeken. Hij probeert daarmee aannemelijk te maken dat ‘veelgelezen’ niet hetzelfde is als ‘goed gewaardeerd’. En dat zou liggen aan ‘de canon’. Met dit allerminst statische begrip, naar mijn gevoel tegenwoordig reflexmatig gebruikt, begeeft Dera zich op glad ijs. Dan zijn al dan niet pregeselecteerde teksten uit het verleden, zeker die voor 1880, inmiddels verplichte nummers. Maar zijn ze niet altijd zo een beetje ervaren? Is Vondel ooit een succesnummer geweest op de middelbare school? Hooguit zijn jongeren nu, al was het omdat ze voortdurend naar hun mening worden gevraagd, minder beschroomd ongenoegen te uiten. Dera nam geen risico: ‘Om sociale wenselijkheid zo veel mogelijk te beperken, werd hierbij geëxpliciteerd dat hun docent deze gegevens niet te zien zou krijgen.’

Leesplezierontnemend

Dera’s data verdienen een genuanceerdere duiding. Joe Speedboot van de geliefde Wieringa blijkt een boek dat scholieren niet helemaal uitlezen. In die treurige omstandigheid is er een kampioen: Max Havelaar. Van de 1886 scholieren was Multatuli’s klassieker op het vwo nochtans de op twee na meest geselecteerde titel, terwijl de roman op het havo slechts bij veertien respondenten voorkwam (vwo’ers moeten drie werken van voor 1880 op hun leeslijst zetten, havisten kunnen volstaan met de grote historische lijn). Ongrijpbaar vind ik desalniettemin dat makkelijker boeken als Turks fruit en Sonny Boy ook in die lage uitleesregionen zitten, terwijl de hoogste scores op dat vlak weggelegd zijn voor minder eenvoudige titels als Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde en Hersenschimmen. Wat het kennisnemen betreft passeren deze drie zelfs het gekende, meest geselecteerde boek Het gouden ei.

Meest gewaardeerd in dit succesrijtje zijn dan weer Hersenschimmen en Sonny Boy, terwijl op dat vlak Karel ende Elegast en Van den vos Reynaerde inderdaad onderaan bungelen. De vraag is wel waarom zo’n relatief grote inspanning voor die canonieke werken werd geleverd die achterwege bleef bij soortgenoot Max Havelaar. En waarom de vreugde van Joe Speedboot dan weer voortijdig stopte, temeer daar van alle geselecteerde werken 63,2% volledig door leerlingen werd gelezen. Tot slot zou ik willen weten, waaraan Tim Krabbés Het gouden ei zijn schier onaantastbare koppositie precies te danken heeft bij scholieren. Ze lezen er minder in en waarderen het lager dan menige andere titel.

Juist die waardering vindt Dera belangrijk. Hij verklaart er voornemens bij scholieren uit om na de middelbare school al dan niet te lezen. Zelf had ik begrepen dat juist leesloopbanen uiterst grillig zijn. Maar misschien moest de wetenschapper dit punt wel behandelen van zijn opdrachtgever – die ook wilde weten of er in prestaties en leesgedrag verschillen bestaan tussen leerlingen met een westerse en niet-westerse achtergrond. Gelukkig, en naar mij lijkt voorspelbaar, was het antwoord nee.

Blijft de constatering dat Dera’s leesplezierontnemende canon niet rijmt met zijn data naarmate het heden nadert. Laat ik testen vanaf de Tweede Wereldoorlog. Tussen de vele titels die de scholieren hebben gelezen zit er geen enkele van een Vijftiger. Ook de Zestigers schitteren door afwezigheid – alleen de latere Bernlef treedt als prozaschrijver aan. Uit de jaren zeventig resteert er bij de lezers van de toekomst een beetje ’T Hart en Van Keulen, en is de bijdrage minimaal van auteurs als Hotz, De Jong, Kellendonk. Van debutanten uit de jaren tachtig verschrompelt Mutsaers in verhouding tot de kritische waardering, en Palmen in vergelijking tot de media-aandacht. De alomtegenwoordige Gerbrandy, die in de jaren negentig startte, is bij scholieren volledig afwezig. Uit dat decennium blijft vooralsnog het minder kritisch verwende De tweeling van De Loo populair.

Pas bij schrijvers van de eenentwintigste eeuw hervinden scholieren het geloof. Wieringa is de leidsman, en ook het werk van Koch – die veel eerder debuteerde – slaat aan. Ironischerwijs blijft het concept van De Grote Drie, dat volwassenen lezers en literatuurhistorici hebben herzien, redelijk in tact. Mulisch en Hermans (en Wolkers) lezen scholieren nog volop, terwijl Reve (en Boon en Claus) bij hen wegdeemstert.

Majority-minority

Gezien dit complete beeld, dat ronduit diffuus is, vind ik Dera te eenduidig met zijn aanbevelingen. Volgens hem staan canonieke teksten te ver van ‘de belevingswereld van de leerling’ en moeten docenten meer ingaan op hun ‘relevantie en opbrengsten’. Ik probeer me niet voor te stellen wat Dera bedoelt met ‘werkvormen die canonieke teksten interessanter maken voor tieners of een beroep doen op hun creatieve vermogens’. Op zichzelf heeft Dera groot gelijk wanneer hij adviseert leerlingen ruimte te geven voor boeken die aansluiten op hun persoonlijke interesses. Hij denkt dan aan adolescentenromans en thrillers. Maar op zijn succeslijsten staan auteurs als Kluun, Noort, Van der Vlugt, Slee en Verhoef niet bijster hoog. Ook Op de Beeck, die door de literaire kritiek naar die hoek gedreven wordt, neemt een minder soevereine positie in bij scholieren dan op bestsellerlijsten.

Lastig vindt Dera daarentegen historische literatuur. Meer succes kan dat genre volgens hem halen door onderzoek ‘naar manieren waarop zulke teksten verlevendigd kunnen worden om aansluiting te vinden bij de belevingswereld van leerlingen. Ook zou er geïnvesteerd kunnen worden in nieuwe, multimediale edities (of hertalingen)’. Om twee redenen ben ik niet overtuigd. Ten eerste laat de Vlaming Bart Van Loo al jaren zien met boeken en optredens, dat er alvast onder volwassenen een groot, gemêleerd publiek bestaat voor historische literatuur. Daarnaast tonen jongeren zelf dat Harry Potter-verhalen, waar naast fantasy zeker vleugjes geschiedenis in te vinden zijn, over de hele wereld kunnen aanslaan.

Opzienbarend zijn Dera’s overzichten voor opinisten. Zijn resultaten frapperen mij ongetwijfeld ook omdat ik studie heb gedaan naar dit type auteur dat publiekelijk sociaal-maatschappelijk engagement demonstreert. Toch had ik het al over Grunberg, en ik kan ook Pfeijffer en Zwagerman noemen – op basis van hun aanwezigheid in de media mochten hogere scores bij scholieren worden verwacht. Andere auteurs die zich mengen in het publieke debat blijken nog minder vertrouwd bij de jongere generatie: Februari, Giphart, Van Istendael, Komrij, Lanoye, Nasr, Weijts (o zijn fuck aan de canon!). Compleet afwezig zijn: Barnard, Heijne, Lamrabet, Meulenbelt, Naegels, Ouariachi, Pruis, Reugebrink, Van Reybrouck, Van Saarloos, Sanders, Six, De Vos, Waterdrinker en leeslijst-afschafster Witteman.

Wankel zijn bij Dera de resultaten voor auteurs die ooit ‘allochtonen’ heetten. Ingang bij scholieren –en docenten? – vonden: Abdolah, Akyol, Amatmoekrim, Bouzamour Benali, Bouazza, Bouzamour, Dam en Yerli. Maar hun scores zijn niet bijzonder hoog. Minimaal is vooralsnog de belangstelling voor: Al Galidi, Dainan, El Azzouzi, El Bezaz, Novaire, Sahar, Samuel, Stitou, Tahir en Valiulina. Bij dit perspectief weet ik niet of de enquête representatief is. Dera zegt zelf al dat de 45 deelnemende scholen ongelijkmatig over het land zijn verdeeld. Ze zijn afkomstig uit de provincies Flevoland (1), Friesland (2), Gelderland (11), Groningen (2), Limburg (2), Noord-Brabant (8), Noord-Holland (6), Overijssel (2), Utrecht (5) en Zuid-Holland (6). Niet alleen ontbreken Drenthe en Zeeland, vooral is ongewis hoe de grote steden zijn vertegenwoordigd. Daar liggen de verhoudingen tussen mensen met en zonder migratieachtergrond toch wat anders. In mijn woonland België kwam Antwerpen recent in het nieuws met het feit dat het een majority-minority-city was geworden. Zoiets heeft allicht weerslag op de keuze voor auteurs.

Ik zou denken dat deze getallen, die gaan over burgers van de toekomst, een extra argument vormen om auteurs te laten participeren aan het onderwijs. Onlangs heb ik daar elders hardop over gedacht, dus volsta ik hier met een soortement sofisme dat literatuur gelukkig nu eens niet gaat om eigen ervaringen. Anders dan Dera wil mij het geloof in aansluiting bij een belevingswereld niet deelachtig worden. Ik zie meer in uitbreiding. Ieder mens heeft verhalen. Het belang van de neerlandistiek – letterkunde, taalkunde én communicatie –ligt erin ze te analyseren, op register en motieven. In eerste en laatste instantie is literatuur immers taal. En verschilt ze niet veel van pak ’m beet politiek. Aan de hand van Orwells roman 1984 wordt dan ook tot de dag van vandaag van alles verklaard uit de grotebozemensenwereld.

Daarom ben ik zwaar geïnteresseerd in een onderzoek naar de ontwikkeling van naoorlogse stijl in kranten en romans. De samenvatting ervan komt mij raadselachtig voor. Het desbetreffende artikel kan me echter niet bijlichten omdat het, in tegenstelling tot Jeroen Dera’s rapport, onbeschikbaar is voor derden. Dat gebeurt helaas vaker met teksten die door wetenschappers, dus op kosten van de samenleving, met veel tijd en aandacht zijn vervaardigd. Kennelijk dringt het niet tot betrokkenen (inclusief uitgevers) door dat de gemeenschap is gediend bij correcte informatie.

Alleen al zo’n onrecht kan worden uitgeplozen in literatuur. Vervolgens kunnen lezers zich over die taal buigen om positie in te nemen. Juist nu de neerlandistiek op de tocht staat, zou ik denken dat het vak onmisbaar is geworden, om te beginnen in het onderwijs.

Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , , . Bookmark de permalink.

3 Responses to ‘Relevantie en opbrengsten’

  1. Jeroen Dera schreef:

    Beste Marc,

    Dank voor je uitvoerige reactie, die inderdaad zeer te denken geeft over de discrepanties tussen de ijkpunten uit de (recente) literatuurgeschiedenis en het literatuuronderwijs. Het is voor mij bovendien heel waardevol dat je de data uit de bijlage gebruikt om eigen vragen aan te toetsen; dat is ook precies waarom ik het zo belangrijk vond om de complete lijst met resultaten beschikbaar te maken.

    Wel voel ik me geroepen te reageren op enkele passages in je tekst waarin je mijn tekst wat uit zijn verband rukt – of althans: verbanden legt waarvan ik zelf niet goed zie dat ze in mijn tekst zitten. Zo stel je herhaaldelijk dat ik de ‘canon’ zie als een oorzaak voor minder leesplezier bij leerlingen. Bijvoorbeeld hier: “‘Hij probeert daarmee aannemelijk te maken dat ‘veelgelezen’ niet hetzelfde is als ‘goed gewaardeerd’. En dat zou liggen aan ‘de canon’.” Dat ‘veelgelezen’ en ‘goed gewaardeerd’ niet overlappen, is inderdaad een belangrijke conclusie uit het onderzoek. Er is echter geen sprake van een oorzakelijk verband met ‘de canon’. Wél constateer ik herhaaldelijk dat teksten die traditioneel tot de canon van de Nederlandse literatuur gerekend worden en die door veel leerlingen op de lijst worden gezet (soms gebeurt dat ook omdat de werken verplicht klassikaal gelezen worden), door leerlingen relatief laag worden gewaardeerd. Voor docenten die het profiel van de culturele vormer nastreven (een term van Tanja Janssen), betekent dit dat ze moeten investeren in hun didactiek om leerlingen voor zo’n tekst te engageren, bijvoorbeeld als ze klassikaal Karel ende Elegast met leerlingen lezen (dat klassikale lezen is overigens een belangrijke reden dat deze tekst zo hoog scoort op ‘uitgelezen’ worden, vergeleken met bijvoorbeeld Sonny Boy). Inderdaad zie ik dat probleem vooral voor de historische literatuur. Uit het onderzoek blijkt namelijk dat hoe recenter de tekst is (geredeneerd vanuit voor 1900, tussen 1900 en 1950, tussen 1950 en 2000, vanaf 2000), hoe hoger deze door leerlingen wordt gewaardeerd. We weten uit tal van onderwijskundige onderzoeken dat motivatie (die samenhangt met leeswaardering) van cruciaal belang is voor leerrendement. Om die reden sta ik geheel achter de aanbeveling om te investeren in vakdidactisch onderzoek dat interventies ontwerpt om historische literatuur (maar eigenlijk alle literatuur) op zo’n manier te didactiseren, dat de kloof tussen tekst en leerling minder groot wordt. Bart Van Loo en Harry Potter kunnen daar ongetwijfeld bij helpen. Maar die voorbeelden hebben niets te maken met het probleem waar docenten voor staan als zij met 4 vwo Van den Vos Reynaerde gaan lezen. Het Middelnederlands, het wereldbeeld van de middeleeuwen, de Bijbelse verwijzingen en de intertekstuele knipogen naar de Arthurtraditie: dat is toch echt andere koek dan de boeken van Van Loo of het universum van Rowling. (En dat meestal in een les of zes, maar dat terzijde).

    Dan het punt over adolescentenromans en thrillers. Inderdaad beveel ik aan die genres een plaats te geven in het literatuuronderwijs. De ‘succeslijsten’ die je als uitgangspunt neemt om de effectiviteit daarvan te bestrijden (Kluun, Noort, Van der Vlugt etc. staan niet hoog), staan wat mij betreft los van die aanbeveling, al was het maar omdat auteurs binnen deze genres niet hoog kunnen scoren op succeslijsten, omdat veel docenten niet toestaan dat leerlingen thrillers en/of jeugdboeken lezen. Mijn punt is echter dat deze genres, die significant hoger scoren dan de andere genres wat betreft leeswaardering, kunnen helpen om een brug te slaan naar boeken die ik voor het gemak maar even ‘meer literair’ noem (zie ook de verwijzing naar het werk van Linda Ackermans over “bruggen bouwen”). Zelf las ik in een van mijn klassen ooit Hermans naast Saskia Noort, met een onderzoekende focus op spanningsopbouw. Ik deed toen nog geen vakdidactisch onderzoek, maar mijn hypothese luidt nog steeds dat dat erg goed werkte.

    Misschien kan ik ook nog wat onduidelijkheden bij je wegnemen. Zo staat mijn werk beslist niet haaks op bevindingen over grillige leesloopbanen. Anders dan je suggereert, verklaar ik voornemens om te blijven lezen niet vanuit leeswaardering. Ik heb immers geen statistische correlaties getoetst op dat vlak. Ook is het niet zo dat de vreugde bij Joe Speedboot ophield bij 63,2%. Het gaat daar immers om een gemiddelde dat tot stand komt omdat sommige leerlingen het boek voor 100% lezen en andere slechts voor 10 of 20. Joe Speedboot heeft, ten opzichte van Karel ende Elegast, dus relatief veel lezers die het boek niet of nauwelijks opensloegen. Dat is ook niet gek, omdat zoals gezegd Karel ende Elegast veelal klassikaal (en verplicht) gelezen wordt. Ook Max Havelaar wordt op veel scholen verplicht gelezen, maar dan is er natuurlijk te weinig tijd om het gehele boek klassikaal te behandelen. En daar gaat het dus ook mis. Zoals het voor sommige leerlingen verkeerd afloopt met Turks Fruit en Sonny Boy, omdat er in die gevallen een film voorhanden is om te kijken.

    Nu ja, misschien moeten we er vooral nog eens over verder spreken. De discrepantie tussen de actuele literatuurgeschiedenis en het onderwijs fascineert ook mij zeer – je ziet de weerslag ervan overigens ook in lesmethoden, waarin die prijswinnaars die je noemt evenmin te vinden zijn. Uit de late 20e en 21e eeuw staat slechts een handjevol dichters in een methode als Laagland, en dat zijn bepaald niet de P.C. Hooftprijs-winnaars (van Oosterhoff en Brassinga ontbreekt elk spoor). Ik ben zelf erg benieuwd of ze wel voorkomen in de vele bloemlezingen die secties Nederlands zelf samenstellen uit de poëzie (en die dus niet in de lijst bij mijn onderzoek terecht zijn gekomen). Ook wil ik net als jij meer weten over verschillen tussen Randstad en ‘provincie’ wat betreft de boekselectie, want inderdaad kan ik daar op basis van de deelnemende scholen weinig over zeggen (Rotterdam, Den Haag en Amsterdam zitten erin hoor, maar je hebt echt meer scholen nodig). En dan is er natuurlijk dat Gouden ei. Ik broed al maanden op onderzoek naar dat fenomeen, maar ik ben er nog niet helemaal uit hoe ik dat moet aanpakken. Je prikkelt me er verder over te denken, waarvoor veel dank.

    Hartelijke groet,
    Jeroen​

  2. Marc Kregting schreef:

    Beste Jeroen,

    Dank voor je uitgebreide reactie, wanneer ik het goed bereken 8 minuten na de publicatie van mijn tekst. Mocht de neerlandistiek onverhoopt ook op de Radboud Universiteit worden opgeheven, wat god natuurlijk verhoede, dan kun je altijd nog aan de slag als damage controller!
    Ik schaam me bij de uitleesscores niet te hebben verdisconteerd dat sommige, blijkbaar vooral oudere, teksten klassikaal worden gelezen. Vermoedelijk heb ik die optie domweg verdrongen, omdat, althans in mijn prehistorische herinnering, weinig saaier was dan dat.
    Toch is me nog altijd niet duidelijk waarom heden leerlingen een grotere afstand tot historische teksten zouden hebben dan vroegere generaties. Sinds wanneer bestaat het woord ‘leesplezier’ (en ‘opleuken’)? Waarom moeten er ineens ‘bruggen worden gebouwd’?
    Uit je rapport en uit je reactie begrijp ik dat de overstap van jeugdboek naar (volwassen) ‘literatuur’ problematisch is. Ook daar ontgaat me eerlijk gezegd het verschil met vroeger, toen Carmiggelt en Bomans de afstand tussen peloton en kopgroep moesten dichtrijden. Ik zou me trouwens kunnen voorstellen dat juist het elitaire genre van poëzie in de klas makkelijker te behandelen is. Vanwege de beperkte omvang van gedichten en omdat de grenzen van wat te hoog of te laag gegrepen is ook meer flou zijn.
    Niet in me opgekomen was de mogelijkheid dat docenten bepaalde titels verbieden op de lijst. Hier was ik waarschijnlijk nog te zeer onder de indruk van enkelingen die ‘Ulysses’ hebben gelezen, maar ook ‘Ik, Zlatan’. Verwijzingen, intertextualiteit en dies meer: dat lijken me inderdaad lastige zaken van geletterdheid. Het zou onrechtvaardig zijn om ze bij een docent Nederlands te stallen, omdat ze niet alleen vakoverschrijdend zijn, maar al beginnen vanaf de kleuterschool. En evengoed bij ouders, familie, vrienden, enz.
    Zekerheidshalve: uit het bovenstaande maak ik op dat ‘de canon’ een momenteel een tijdsbegrip is, waarmee literatuur van voor 1900 wordt bedoeld.
    Bij het nalezen van mijn tekst viel me nog op dat het lijkt alsof ik negatief ben over de afwijking van alle institutionele inspanningen en signalementen. Ik vind dat namelijk wel prettig. In de krant staat bijvoorbeeld dat Vestdijk passé is, in deze enquête blijken sommige scholieren hem gewoon te lezen. Mij bevalt vooral dat ze laten zien dat er meer auteurs zijn dan de 1 tot 5% die het mattheuseffect ondergaan.
    Vandaar ook mijn slotexercitie over het onderzoek naar de ontwikkeling van stijl, die in literatuur stabiel zou zijn gebleven. Mij lijkt, puur steekproefsgewijs uiteraard, die taal wel degelijk veranderd; ik snap oprecht niet dat een boek als ’Het smelt’ bekroond is door de Maatschappij der Nederlandse letterkunde.
    Wel zie ik precies in stijl de urgentie van de neerlandistiek. Taal is van ons allemaal maar het zou fijn zijn wanneer deskundigen het onderling begrip vrijwaren van ruis. Het maakt mij niet uit dat ‘het verschil maken’ een anglicisme is, wel dat die nietszeggendheid de wereld in wordt geslingerd vanuit communicatieafdelingen waar ooit neerlandici zaten en nu marketingspecialisten die ergens moeten zijn opgeleid.
    Ik vrees dat er nog vele eieren moeten worden uitgebroed voordat zulke ontwikkelingen tegendruk krijgen vanuit een redelijke meerderheid. Literatuuronderwijs kan daar zeker aan meehelpen, en ik schiet bijna vol bij het idee dat er minder lessen aan zouden worden gewijd dan aan ‘samenvatten’ of aan een pleonastisch wieluitvindsel als ‘begrijpend lezen’. Het is sowieso ongelooflijk dat het vak van docent zo laag staat aangeschreven. Voor een tienerpubliek, dat de vormende jaren van het leven doormaakt, schiet mij althans geen belangrijker beroep te binnen.
    Taal is dus van ons allemaal, en we leren al door het geconcentreerd lezen van een gedicht. Voor onszelf en voor een ander. Een platitude uiteraard, maar kennelijk eentje die voortgezegd moet worden: literatuuronderwijs, en bij uitbreiding de neerlandistiek, dient het algemeen belang.

    Moedig voorwaarts!
    Marc

  3. DirkJan schreef:

    De laatste jaren heb ik niet veel meer met lijstjes, maar ze blijven ergens toch prikkelen. Zoals de leeslijst uit het onderzoek van Jeroen Dera. Het weblog Tzum zette daar vandaag in een artikeltje nog twee lijstjes van eerdere onderzoeken naast. Daar rolde een min of meer vergelijkende top 33 uit die in een afbeelding hier is te vinden:

    https://www.tzum.info/2019/03/column-de-leeslijsten-veranderen-wel-maar-ten-slechte/

    Je kan er van alles over zeggen, maar wat mij direct opvalt is dat Ilja Leonard Pfeijffer kennelijk niet populair is onder de huidige scholieren, hij komt niet in de top 33 voor. De boeken zijn wellicht te dik en ik las ook al eens ergens dat zijn taal voor gevorderde lezers is.

Laat een reactie achter