Nederlands op school en op de universiteit

Door Felix van de Laar

Wie de laatste decennia zijn of haar ogen en oren openhield, kan niet verbaasd zijn over de teruglopende belangstelling voor het vak Nederlands – op school en om het later te studeren. Wat verbaast, is dat er in de berichtgeving en de klaagzangen nergens wordt ingegaan op het beeld van het vak bij de Nederlanders in het algemeen, en bij de doelgroepen (scholieren, en studenten die een vak moeten kiezen) in het bijzonder. Niemand lijkt zich af te vragen waar de “verengelsing” nou precies vandaan komt en hoe die zich nestelt in het bewustzijn van de burgers. Al die mensen die nu hoog van de toren blazen, beheersen waarschijnlijk zelf tenminste één buitenlandse taal, meestal het Engels; en vaak nog een of meer andere.

Zijn ze er dan blind voor, dat iedereen die zich in deze wereld staande wil houden, dat inderdaad bijna niet meer kan zonder enig begrip van het Engels, al was het maar omdat de gemiddelde burger dagelijks via digitale (massa-)media, muziek, film, en via nieuwe technologie in huis, in winkels, in het verkeer, met begrippen in aanraking komt waar alleen nog maar een Engels woord voor bestaat? Woorden waar we met z’n allen probleemloos Nederlandse zinnen omheen bouwen.

Zijn er schrijvers en dichters in ons taalgebied, die geen buitenlandse literatuur en poëzie lezen?  Waarom zou de (oude, of nieuwe) Nederlandse cultuur alleen maar gediend zijn met consumptie in het Nederlands? Nederlandse literatuur is en wordt in tig talen vertaald en verbale uitingen van alle culturen van waar ook ter wereld, zijn en worden, of kunnen in het Nederlands worden vertaald.

Met andere woorden: geheel ten onrechte worden (verbale) cultuur en taal met elkaar vereenzelvigd en verengd tot wat er op onze eigen postzegel van Nederland en Vlaanderen op schrift tot stand is gekomen. We zouden het vak “literatuur” ook vanaf het prille begin op de basisschool, kunnen beschouwen als een wereldomvattend gebied, met contemporaine en historische kruisverbanden tussen alle schrijvers wier werken ooit zijn verspreid. Want komt Vondel geheel tot zijn recht zonder sjoege van Euripides of Shakespeare? (Snap je Rembrandt zonder dat je ooit iets van Rubens of Caravaggio hebt gezien? Zou Mozart van Queen houden?)

Ooit, vóór de Renaissance met haar regel- en ordeningsdrang toesloeg, waren de mensen niet zo strikt. Columbus gebruikte een stuk of wat talen door elkaar heen, die maalde er niet om of het Spaans of Italiaans, Hebreeuws of Arabisch was.

Taal krijgt in het onderwijs, zeker op de basisschool maar ook daarna, en ook nog in het discours (“op feestjes”) over hoe goed mensen hun taal nou eigenlijk beheersen, steevast het kenmerk van een kenbaar geheel van onveranderlijke regels – de spelling voorop, alhoewel het Groene Boekje zo’n 240 verschillende regels bevat, waarna je nóg honderden, zo niet duizenden woorden alleen maar goed kunt spellen als je weet hoe ze die in de taal van herkomst schrijven – de duivelse regel van de etymologie!

Veel mensen denken ook steeds, dat er maar één variant goed is, en alle andere varianten fout. Dat is in geen enkele vorm van leven – mode, kunst, techniek, sport, seks, eten – het geval. Hoe goed we met variatie om kunnen gaan, blijkt wel uit het feit dat we honderden lettertypes die (meestal) redelijk gemakkelijk kunnen lezen. Handschriften, hoofd- en kleine letters: de meesten van ons draaien er onze hand niet voor om (wie ons schrift op latere leeftijd nog moet leren, is de pineut).

Het canonieke idee van de taal als bijna heilig, regelgestuurd systeem is zo sterk, dat een minister al met hel en verdoemenis dreigt vanwege ‘hun’ als onderwerp in de derde persoon meervoud. De taalkundigen gaan dan niet roepen waaróm de Nederlanders al een eeuw lang “hun” zeggen (nl. omdat “ze” of “zij” te ambigu is). Ze leggen aan hun doelgroepen niet uit, dat dit nou juist een saillant voorbeeld is van taalverandering; en dat de taal verandert, en dat je er – net als in de kunstbeschouwing – zelfs nieuwsgierig naar kunt zijn hoe dat gebeurt, en wanneer, en waar, en waarom. Laat staan dat ze zulke taalvernieuwingen aanmoedigen! De meisje die… De raad in haar advies… Een aantal mensen gaan… (Ooit krijgen we “hets” als bezittelijk voornaamwoord: Het kind raapt hets fiets op – zijn we af van de keuze tussen “zijn” of “haar”…)

Nee, in taal moet alles bij het oude blijven, we gaan niet voorop lopen.

De jeugd voelt dat taalconservatisme haarscherp aan en weigert terecht er nog langer haar steentje aan bij te dragen. In hun langetermijnperspectief zien ze te weinig voordeel van een meer dan gemiddelde kennis van de Nederlandse taal. Ze wijzen het keurslijf af waar de oudere generaties hen steeds in willen dwingen, en ze willen er, als leerkrachten, de generaties na hen niet meer in persen of op afrekenen. Uiteindelijk willen ze met hun medemensen kunnen communiceren, en dat lijkt ze over het algemeen heel aardig te lukken, in welke taalcocktail dan ook. En daarna: dat beter kunnen.

De taalkundigen, ook de Neerlandici als die wat breder willen kijken dan ze gewend zijn, zouden ze daar best nog bij kunnen helpen. Het vak Nederlands zoals het nu is, is ten dode opgeschreven. Maar een schoolvak “taal”, met “communicatie” en “kunst” (en “spel”) in de ondertitel, zou het vast een stuk beter doen. Welke enthousiaste docent zou dat vak niet willen geven!?

Dit stuk verscheen eerder in Trouw.