Taal als evolutonaire bijvangst voor leren

Door Lucas Seuren

Taal heeft een bijzondere plek in het dierenrijk. Als we een naïeve blik werpen op de wereld om ons heen, dan trekken we direct de conclusie dat taal uniek menselijk is; geen enkele andere diersoort heeft het. En de vraag—of vragen—is dan natuurlijk: Hoe is taal ontstaan en waarom is dat bij geen enkele andere diersoort gebeurd? Een ad-hoc verklaring is dat er bepaalde cumulatieve, biologische vereisten zijn die zo zeldzaam zijn dat ze alleen bij mensen voorkomen. En hoewel dat ongetwijfeld klopt, geeft het geen antwoord op de vraag, want je wilt dan natuurlijk weten wat zijn die vereisten en waarom hebben andere diersoorten die niet of niet volledig?

Het antwoord moeten we ongetwijfeld voorlopig nog schuldig blijven, maar een recent artikel van Michael Muthukrishna en collega’s biedt mogelijk wat perspectief. Hoewel ze zich volstrekt niet bezighouden met taal of taalevolutie, geeft hun hypothese over wat ze een Cultural Brain noemen wel een mogelijke verklaring: we hebben taal omdat het sociaal leren vergemakkelijkt, wat voor een soort die vertrouwt op sociaal leren—leren van elkaar—een enorm evolutionair voordeel biedt. De mutaties die ervoor zorgen dat we zijn gaan communiceren, eerst zonder en later met taal, hadden daarmee een grotere kans om doorgegeven te worden naar nieuwe generaties.

Cultureel Brein

Dit klinkt allemaal als een open deur, en je gaat je natuurlijk gelijk afvragen waarom, als taal zo’n enorm evolutionair voordeel biedt, wij mensen de enige zijn die het (lijken te) hebben. De crux zit hem erin dat taal niet per se een evolutionair voordeel geeft, en in de overgrote meerderheid van de gevallen zelfs niks oplevert.

Muthukrishna en collega’s proberen te verklaren waarom (a) mensen en andere sociale dieren een groot brein hebben en (b) waarom ook sommige niet-sociale dieren een groot brein hebben. Voor wie het niet weet, een groot brein is bijzonder onhandig. Onze hersenen slurpen energie, en naarmate het brein groeit in een soort, moeten leden van die soort dus meer calorieën binnen krijgen, wat betekent dat ze meer tijd kwijt zijn aan jagen en/of verzamelen. Dat betekent dat je minder tijd hebt voor alles: van voortplanting en socialisatie tot het ontwikkelen van cultuur. De voordelen van een groter brein moeten dus opwegen tegen de nadelen.

In de cultural brain hypothesis gaan Muthukrishna en co. dat een groter brein dient voor de opslag van meer informatie in de vorm van adaptive knowledge, de vaardigheid om problemen op te lossen. Die informatie kun je sociaal verkrijgen—van anderen, in eerste instantie je ouders—of asociaal—zelf leren. Ze modelleren vervolgens hoe die in soorten evolueren uitgaande van vier factoren: (1) het voordeel dat meer kennis oplevert voor overleven, (2) het voordeel dat meer kennis oplevert bij voortplanting, (3) het gemak waarmee je kennis opdoet van anderen, en (4) het gemak waarmee je zelfstandig leert. Al deze factoren gelden voor individuën, niet een soort. Dus als veel kennis een enorm voordeel heeft voor voortplanting, zal het invidu met de meeste kennis veel kinderen krijgen, en anderen krijgen weinig tot geen kinderen.

Taal als leren

Uit hun simulaties komt een aantal interessante resultaten naar voren. Maar de opvallendste is dat er maar een heel beperkte set van omstandigheden (1-4) is waarbij een soort primair gaat vertrouwen op sociaal leren. Bovendien is het daarbij van belang dat de voorouders al redelijk wat kennis in huis hadden: het heeft weinig zin om goed te kunnen leren van anderen, als die anderen weinig tot niks weten. In de overgrote meerderheid van de randvoorwaarden onstaan soorten die primair op asociaal leren vertrouwen en in kleine mate op sociaal leren.

Goed, wat heeft dit alles nu met taal te maken? Misschien niks, maar mijn idee is het volgende. Taal maakt het uitwisselen van informatie niet alleen eenvoudiger, maar maakt het ook mogelijk om veel complexere vormen van informatie uit te wisselen. Een soort die communicatief vaardig is, heeft dus een hoger vermogen tot sociaal leren. Taal is een krachtige en efficiënte vorm van communicatie, die sociaal leren nog gemakkelijker maakt. Soorten die primair asociaal leren hebben geen baat bij taal en communicatie, soorten die primair sociaal leren wel.

Dit geeft geen sluitend antwoord op de vraag waarom alleen mensen taal hebben, maar het komt een heel eind. Zelfs de meeste sociale diersoorten, zoals chimpansees, leren maar in beperkte mate van elkaar, waardoor ze in de categorie diersoorten vallen die primair zelfstandig leren. Bovendien komt het bij factor (2), het voordeel van kennis bij voortplanting, heel nauw kijken. Een soort mag niet volledig monogaam zijn, waarbij kennis geen rol speelt bij voortplanting, maar het scheelt niet veel. Hoe minder paargebonden een soort is, hoe minder voordeel sociaal leren heeft: alle kennis die de soort heeft ligt dan bij een kleine groep en die kennis is daardoor sterk beperkt.

Evolutie

Het culturele brein sluit aan bij wat we verder weten over taal. Alle mensen hebben het, dus moet het genetische fundament gelegd zijn toen we als soort nog in Afrika zaten. In eerste instantie waren we daarbij nog sterk asociaal, net als onze voorouders. De grondstoffen die we nodig hadden om te overleven waarin ruim voorradig, waardoor je jezelf snel kon aanleren om die grondstoffen te verzamelen. Maar naarmate de bossen overgingen in savanne, werden grondstoffen schaarser en konden soortgenoten die goed waren in sociaal leren truukjes afkijken van hun asociale soortgenoten.

Sociaal leren kreeg zodoende een steeds belangrijkere rol, waarmee het fundament werd gelegd voor een communicatieve en zelfs talige soort: mensen die wel konden communiceren konden beter uitwisselen waar het schaarse eten, drinken, en onderdak waren, met als gevolg dat de vaardigheid tot communicatie en later taal een evolutionair voordeel gaf. En zodra we eenmaal taal hadden ging het helemaal als een trein en waren we klaar om de dominante soort op aarde te worden.

Een ander gevolg is dat taal niet primair is ontstaan als ondersteuning van het menselijk denken. Als taal primair een individueel voordeel gaf, dan zou het namelijk asociaal leren vergemakkelijken, en dus voor veel meer diersoorten een voordeel hebben. Het feit dat alleen mensen taal hebben betekent binnen dit model dat taal dus waarschijnlijk is ontstaan voor sociale functies, niet zuiver cognitieve.

Dit sluit aan bij een eerder idee van Michael Corballis die zegt dat (€€€) “taal voorlopers kan hebben in niet-menselijke dieren, waarmee taal primair gezien kan worden als een gereedschap om gedachten en ervaringen (informatie) uit te wisselen. (…) De Grote Sprong Voorwaarts (niet te verwarren met het economisch beleid van Mao), als die inderdaad bestaan heeft, kan dan toegeschreven worden aan een verbeterd vermogen om kennis en ervaringen te delen, niet zozeer een verbeterd denkvermogen.”

Verder onderzoek

Dit alles is natuurlijk nog vrij simpel weergegeven. Muthukrishna en co. gaan uit van een relatief simpel model, maar dat is ook omdat de simulaties anders gewoon te complex worden. Dat hun uitkomsten in lijn zijn met observaties die we nu doen in de werkelijkheid biedt in ieder geval perspectief. Wat de biologische factoren zijn die taal mogelijk maken blijft hiermee natuurlijk volstrekt onduidelijk, maar het kan ons nieuwe inzichten bieden in wat taal is en waar we die verklaringen moeten zoeken.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

11 Responses to Taal als evolutonaire bijvangst voor leren

  1. Wat ik niet zo goed begrijp: voor jouw verklaring is het noodzakelijk dat de mens eerst sociaal leren had en daarna de taal ontwikkelde. Maar ik kan me moeilijk overtuigende voorbeelden bedenken van sociaal leren bij de mens waarbij GEEN taal betrokken was.

    • Nynke schreef:

      Ik stel me er bijvoorbeeld instructies voor het vinden van voedselplanten of het netjes opsnijden van een prooi bij voor: voornamelijk met voordoen en nadoen, maar ook met expliciet bijsturen als het fout gaat, met kreten en/of gebaren, en verbeterd voordoen.

    • Lucas schreef:

      Sociaal leren komt bij allerlei diersoorten voor, meestal op veel kleinere schaal dan bij mensen. Imitatie en dergelijke. Dus het kan gerust zonder taal.

      En je begint dan bijvoorbeeld met gebaren, of gebaren in combinatie met verbale tekens. Daar zijn ook weer verschillende opvattingen over (Corballis is can de opvatting dat gebaren voor taal kwamen.)

      Dus ja, sociaal leren maakt ons als soort niet uniek. Verre van zelfs. Slechts de schaal waarop binnen deze theorie.

      • DirkJan schreef:

        Maar de vraag was of er voorbeelden zijn te noemen van sociaal leren bij mensen waar geen taal aan te pas komt. U houdt het algemeen en maakt het niet concreet.

        • Lucas schreef:

          Dat is niet relevant voor de discussie hier. We hebben inmiddels taal, en al heel wat duizenden jaren. Dus hoe we nu leren zegt weinig over hoe we als soort leerden toen we nog met zijn alle door de bossen en over de savanne van Afrika doolden.

          Zodra dit soort discussies over hele concrete voorbeelden gaat, blijft de discussie altijd ontologie tegenover filologie.

          Ik deed gisteravond een fitnessles (bodypump). Nooit eerder gedaan, en de instructrice gaf woordelijk weinig tot geen uitleg—en ik kon het regelmatig niet horen boven de muziek uit. Alles wat ik deed was dus gebaseerd op imitatie van haar en andere fitnessgangers. Ik leer dan sociaal zonder taal, maar of dit enige relevantie heeft voor hoe mijn voorouders twee honderdduizend jaar geleden van elkaar leerden hoe ze van stenen wapens konden maken en waar ze water konden vinden weet ik niet.

          Dat is dan ook waarom er zoveel tegenstrijdige theorieën zijn; ze zijn allemaal verklarend, maar er is (nog) geen manier om de ene theorie te verwerpen ten behoeve van de andere. Hetzelfde bewijs op een andere manier geïnterpreteerd kan een volstrekt tegenstrijdige conclusie dienen. Wat ik hier boven doe is niet meer dan speculeren binnen een theorie.

          • DirkJan schreef:

            Wellicht wil Marc van Oostendorp nog toelichten wat hij precies bedoelde.

            Maar om op het voorbeeld van de fitness in te gaan. U bent op die avond terechtgekomen omdat u daarover gelezen of gehoord hebt, hebt een afspraak gemaakt, enzovoorts. Allemaal voorbereidingen die met taal te maken hebben. Blijft over de imitatie van de training zelf, maar daar zie ik niet direct het sociale karakter van in.

  2. Nynke schreef:

    Heel interessant! Maar wat bedoel je precies met het volgende? “Hoe minder paargebonden een soort is, hoe minder voordeel sociaal leren heeft: alle kennis die de soort heeft ligt dan bij een kleine groep en die kennis is daardoor sterk beperkt.“ Hoezo, een kleine groep ?

    • Lucas schreef:

      De groep die bovenaan de ladder staat. Dus van een populatie van bv 1000 mannetjes zijn er maar 10 die mogen paren en kennis kunnen doorgeven. Dus je zou alleen kunnen leren van die hele kleine groep.

      Als je in paren werkt, dan kan de kennis via alle mannetjes worden doorgegeven.

      Zo begrijp ik het althans.

  3. Peter-Arno Coppen schreef:

    Jij zegt: taal maakt het mogelijk om complexere informatie uit te wisselen. Ik zou denken dat ook (en misschien vooral) de complexere uitwisseling die taal mogelijk maakt hier relevant is. Een vaardigheid sociaal leren kun je zonder taal vrijwel alleen als iemand iets voordoet of je stuurt, maar door de vaardigheid in taal te beschrijven kan dat voordoen (misschien gedeeltelijk) achterwege blijven. Daardoor kan kennis over die vaardigheid ook over generaties heen doorgegeven worden, zelfs zonder dat de doorgever de vaardigheid zelf bezit.

    • Lucas schreef:

      De vragen zijn dan voor mij, in hoeverre heb je ‘taal’ daarvoor nodig. Werkt het alleen als we een volledig taalsysteem hebben of kan taal over lange tijd steeds complexer zijn geworden, waarmee er meer ruimte kwam voor overdracht van complexe informatie? (Ik weet het, nu net de vraag waar mensen als Corballis en Chomsky elkaar over in de haren vliegen.)

      Het tweede is hoe efficiënt dat is. Hoe goed kun je een vaardigheid doorgeven als die je niet zelf beheerst? Het bestaat van sporttrainers laat zien dat de leraar bij lange na niet even goed hoeft te zijn als de leerling, maar ze hebben beduidend meer dan geen vaardigheid. Kun je iets goed overdragen, zeker over generaties, met taal alleen als het geen talige vaardigheid is? En is dat het soort kennis dat in culturen tienduizenden en honderdduizenden jaren geleden uberhaubt zou worden doorgegeven?

      Ik heb geen antwoorden, maar die heeft niemand, dus dat scheelt 😀

Laat een reactie achter