Stokske

Door Wiel Kusters

Vermoedelijke stok van Johan van Oldenbarnevelt, Collectie RIjksmuseum

Veel aandacht van historici dit jaar voor Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Na een politiek proces door onthoofding ter dood gebracht op het Haagse Binnenhof, 13 mei 1619.

Vondel eerde hem met een gedicht, dat in latere tijd door generaties middelbare scholieren verplicht gelezen werd.

Er is in dit ‘Stokske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlands’ (1657) sprake van een wonderlijk verbond: ‘Mijn wens behoede u onverrot,’ zegt de dichter tegen de stok van de ter dood gebrachte staatsman, aan het begin van zijn gedicht. En de laatste regel luidt: ‘Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.’ Het gedicht behoedt de stok en die stok houdt het gedicht overeind.

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Vondel was zeventig toen hij deze regels schreef, bijna net zo oud als Oldenbarnevelt in 1619, het jaar van zijn dood. Het kan haast niet anders of Vondel heeft zich bij het schrijven van zijn ‘Stokske’ tot op zekere hoogte met Oldenbarnevelt geïdentificeerd. Nog sterker dan toen hij zijn ‘Geuze-vesper’ schreef, rond 1631, zal hij zich bewust zijn geweest van de grimmigheid van Oldenbarnevelts executie, de onthoofding van een oude man, wiens bloed toch al ‘in d’aders schier verstorven’ was.

Vondel blijkt in 1657 verstokt in zijn gevoelens van woede en walging om deze gerechtelijke moord. Zijn aanklacht uit de ‘Geuzevesper’ staat nog recht overeind. Ik spreek in woordspelingen, maar zij liggen voor de hand en behoren, vind ik, tot de betekenis van het gedicht, dat nu ook zelf al enkele eeuwen lang door Oldenbarnevelts stok en Vondels felheid gestijfd en gestut wordt. (Opmerkelijk is overigens het betrekkelijk grote aantal aan ‘Stokske’ herinnerende st-klanken in dit vers, een ruggegraat van alliteraties, van stafrijm (!) dus: Stok, stut, Steên, strekt, stappen, Staten, stadig, steende, stok, stut, stijft, en in de in- en auslaut: most, braafste, belast, lastig, rustte, rusten.)

‘Het Stokske van Joan van Oldenbarnevelt’ varieert op de tegenstelling recht versus krom met woorden als ‘knielen’, ‘buigen’ en ‘overleende’. De treden naar het ‘wreed schavot’ corresponderen en contrasteren met ‘de hoge trappen’ van ‘’t hof der Staten’. Maar die trappen verbeelden ook de jaren waarin Oldenbarnevelt oud is geworden. Tot het traditionele beeld van ’s mensen op- en nedergang, zoals we het op zeventiende-eeuwse prenten verbeeld zien, komt het hier echter niet. De beul verhindert een natuurlijke dood.

Wat Oldenbarnevelts hoge leeftijd betreft: de stok van de oude man heet bij Vondel ‘een derden voet’. Dat is, dunkt mij, een toespeling op het raadsel dat de Sfinx Oidipous opgaf. Ik citeer het uit de ‘Inhoud’ van Vondels Sophocles-vertaling Koning Edipus:

Wat is het voor een dier? Het slaat maar één geluid.
Het gaat op vier en twee en op drie voeten uit,
Verandert zijnen aard veel meer dan andre dieren,
Die land betreên, in zee en in den hemel zwieren;
Maar als het endlijk op drie benen komt te staan,
Dan is de snelheid van zijn leden meest vergaan.

Edipus verstond dat dit dier den mens betekent, die eerst, een kind, op handen en voeten kruipt, daarna op twee benen treedt, en, endelijk op enen stok leunende, van ouderdom verzwakt, pijnelijk voortgaat.’

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Oidipous Vondel voor de geest heeft gezweefd toen hij ‘Het Stokske’ schreef. Zijn vertaling verscheen in 1660, drie jaar na zijn gedicht over Oldenbarnevelt. Oidipous lijkt ook, als een vagere reminiscentie, geïmpliceerd wanneer Vondel over Oldenbarnevelt als Vader des Vaderlands spreekt. De terechtstelling, op last van Maurits, was niet minder dan een vadermoord. Ook in de ‘Geuze-vesper’ is dit aan de orde: ‘Schendt uw handen aan geen Vaders.’ Merkwaardig is daar overigens dat Oldenbarnevelt aan het eind van het gedicht een ‘vader’ heet, terwijl hij in de eerste regels als een moeder is voorgesteld: hij heeft Holland ‘gedragen / Onder ’t hart’. Maurits was op de moeder van het vaderland gesteld en heeft daarna de vader gedood. Maar deze vader en moeder waren een en dezelfde: het onheil was compleet.

De allusie op Oidipous is een weinig rechtlijnige. Of Vondel ze bewust heeft aangebracht? Ik denk van niet. Anders dan Oidipous was Maurits voor de dichter beslist geen tragisch, aan het noodlot onderworpen personage. Opvallend is wel nog dat ook Laios, Oidipous’ vader, als attribuut een stok heeft, waarmee hij naar Oidipous slaat, voordat deze hem doodt. De gelijkenis tussen Oldenbarnevelt en Laios wordt er iets sterker door.

Vondel. Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verwey. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies, H.J.W. Becht, Amsterdam 1986.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter