Paard en wagen

Door Wiel Kusters

Vertelsel

In het houten huis
woont het witte paard,
en de houten wagen slaapt er
naast het brandhout,
doof en zwaar.

Als de maan smelt op de bloemen,
rond het houten huis,
glanst het water op de heide,
vóór het huis.

Met de wind voorbij
floot de trein reeds jaren,
en het huis blijft eeuwig
met het witte paard
en de houten wagen.

Maurice Gilliams

Er wonen zo te zien geen mensen meer in het houten huis waarover Maurice Gilliams (1900-1982) vertelt: daar woont ‘het witte paard’. Te werken hoeft het niet, want ‘de houten wagen’, die het zou kunnen trekken, slaapt bij het brandhout. Misschien is het paard voor arbeid ook te smetteloos. Een droompaard.

Het brandhout naast de wagen, waarmee het, zo is toch de suggesties, werd aangevoerd, heet ‘doof en zwaar’. Het werd en wordt niet gebruikt. ‘Doof’ hangt hier waarschijnlijk samen met ‘doven’: het zal niet meer branden, hoewel het ooit door iemand voor de haard bestemd moet zijn.

Het huis staat op een stille plaats. ’s Nachts giet de koele er zijn witte licht als smeltwater over uit. Ook hier beseffen we: branden zal het niet.

Het is een tijdeloos tafereel: beeld van een verloren jeugd, die niettemin nooit voorbij gaat, ‘gevangen’ in dat houten huis en zijn omgeving.

Het paard lijkt nu een achtergebleven speelgoedpaard, van hout, als de wagen en het huis.

De tijd gaat gedurig aan dat huis voorbij: dat symboliseren de wind en de fluitende trein als vanzelf. Het houten huis staat daar voor ‘eeuwig’; en dát nog wel terwijl het van hout en dus brandbaar is, zoals het woord ‘brandhout’ al deed beseffen. Maar als zelfs dat brandhout bij voorbaat gedoofd is, wat zou het huis dan moeten vrezen?

Als je aandachtig leest, zie je hoe subtiel Gilliams een relatie legt tussen de bewegingloze houten wagen uit de eerste strofe en de met de wind voorbij fluitende trein (geladen met steenkool misschien?) in de laatste. Buiten de wereld van het houten huis en zijn plaats onder de maan, heeft moderne mechanisering haar intrede gedaan. Maar de houten wagen slaapt, hij zal zich niet meten met wat verandert.

In de wereld van Gilliams’ poëzie vertegenwoordigen treinen meer dan eens een besef van tijd en vergankelijkheid. Maar niet alleen daar. In een gedicht over het geheugen, over de wijze waarop soms zeer vluchtige en alleen maar in het voorbijgaan toevallig geziene dingen een stralende plaats vinden in de herinnering, bewaarde Willem Jan Otten het beeld van een

druivenrank,
gezien in een voorbijgaan,
in een blinkend web van wissels,
even voor Milaan.

(Ik zoek het hier, 1980).

Maurice Gilliams, Vita brevis. Verzameld werk. Amsterdam, Meulenhoff, 1984.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter