Menno Wigman: Tot zichzelf

Door Wiel Kusters

Buste van Marcus Aurelius

‘Alleen mijn nagels en mijn haren, / dat is alles’, schrijft Menno Wigman in het gedicht ‘Tot zichzelf’, dat deel uitmaakt van zijn ‘officiële’ debuut, ’s Zomers stinken alle steden (1997). Hij loopt tegen de dertig, de ‘gevreesde’ verjaardag waarvan sprake is in ‘Media vita’, verderop in de bundel. Het dertigste jaar opgevat als het midden van de levensweg: dat is een omineus gegeven, zeker wanneer we weten dat de dichter, die op 1 februari 2018 overleed, niet ouder dan eenenvijftig jaar is geworden.

Alleen mijn nagels en mijn haren,
dat is alles. En wat dan nog?

Het zijn raadselachtige regels, die niettemin onmiddelijk duidelijk maken dat wie hier spreekt zichzelf, althans zijn lichamelijkheid, behoorlijk relativeert. Er lijkt sprake van een uiterste reductie, die blijkens de woorden ‘En wat dan nog?’ met een zekere onverschilligheid gepaard gaat.

Toch is er voor wie goed luistert nog iets meer aan de hand dan zeer sterke relativering of (gespeelde) nonchalance. ‘En wat dan nog?’ kan ook licht hoopvol klinken als: En wat dan nog meer?

Nog iets anders dan alleen mijn nagels en mijn haren misschien?

Ik kom daar aan het eind van dit commentaar op terug.

Eerst maar eens het hele gedicht.

TOT ZICHZELF

Alleen mijn nagels en mijn haren,
dat is alles. En wat dan nog?
Ik groeide op, vermaalde brood,
ontliep drie vaders en leed
niet langer aan de ijle lengte
van momenten. Zo werd ik groot,
zonder de vrijheid na te bootsen,
zonder mijn dromen aan te lengen.
Ik groeide op en hield het kort,
nog steeds de jongen aan het raam
die peinst of alles wat bestaat
verdient dat het te gronde gaat.
Nu, mijn haren zijn de hoop
ontgroeid, mijn nagels splijten
van verwijt en wat rest is stilte,
omsingeld door rumoer van alledag.
Ik ken de waarde van de dood,
niet de prijs, – het gewicht
van een woord, niet dat alles
met de vlakte als ook dit,
mijn haren, mijn nagels, mijn ik.

Een kernbegrip in dit gedicht is groeien: opgroeien, ontgroeien, grootworden, aanlengen. Maar ook: het kort houden, te gronde gaan, het splijten van de nagels, met de vlakte [gelijk gemaakt worden].

Als je dat hebt gezien, ontkom je er niet aan ook de eerste twee regels daarmee in verband te brengen.  Zij wekken de indruk dat er allerlei onuitgesproken gedachten aan vooraf zijn gegaan. Wat blijft er na het bereiken van de volwassenheid nog groeien? Alleen mijn nagels en mijn haren.

Maar misschien geldt evenzeer de vraag: Wat zal er na de dood (die in de laatste strofe expliciet ter sprake wordt gebracht) nog aan of van mij groeien? Geldt ook hier: Alleen mijn nagels en mijn haren?

We weten dat dit laatste onzin is, onuitroeibare onzin, en dat de veronderstelde visuele aanwijzingen daarvoor zich fysiologisch laten weerleggen. Maar het blijft een beeld dat tot de verbeelding spreekt; in poëzie zou het tot metafoor kunnen worden.

Menno Wigman heeft zijn gedicht ‘Tot zichzelf’ genoemd: daarmee suggereert hij dat hij het voor zichzelf geschreven heeft. De titel is een toespeling op een ‘aan zichzelf’ gericht geschrift van Marcus Aurelius (121-180), in het Grieks Ta eis heauton, in het Latijn Ad se ipsum. Filosofische notities, meditaties, gebaseerd op stoïcijnse ethiek. Van een (poging tot) stoïcijns denken over leven en dood heeft Wigmans gedicht wel iets in zich, zeker in de laatste strofe.

Na de al enkele keren geciteerde openingsregels vervolgt het gedicht met een terugblik. Het hier zo centraal geplaatste opgroeien verliep met toenemende snelheid. Er moesten ‘drie vaders’ ontlopen worden. Hoe die vaders te interpreteren zijn, blijft voor wie niet in Wigmans biografie wil duiken onduidelijk, maar we kunnen denken aan een fysieke en aan geestelijke vaders (eventueel zelfs pleegvaders). Die vaders is de dichter ‘ontlopen’, hij is aan hen ontsnapt.  En telkens zó snel kennelijk, dat er onmiddellijk ruimte kwam voor een nieuwe. Zijn tijdservaring  ontwikkelde zich navenant: hij ‘leed/ niet langer aan de ijle lengte/ van momenten’. Verveling, die de lege tijd uitrekt, werd overwonnen. Vrijheid hoefde niet te worden nagebootst, omdat ze werkelijkheid werd, en dromen hoefden niet te worden verdund. (‘Aangelengd’ zou hier misschien ook nog kunnen betekenen: verlengd. Dromen hoefden niet op kunstmatige wijze – vergelijk het eerder gebruikte ‘nabootsen’ – in stand te worden gehouden. Er volgden altijd wel weer nieuwe.)

‘Ik groeide op en hield het kort’, lezen we aan het begin van de tweede strofe.

Wat hield ‘ik’ kort?

Er is in deze regel een tegenstelling gegeven tussen het natuurlijke groeien en een levenspraktijk die die groei tegengaat. De haren en de nagels worden kort gehouden. Maar ook het zojuist besprokene speelt hier nog mee: de kort gehouden, zich eerder nog voortslepende ‘ijle’, dus lege, momenten. Ook de kindertijd is kort gehouden, al ziet de ‘ik’ zich hier ‘nog steeds’ als ‘de jongen aan het raam/ die peinst of alles wat bestaat/ verdient dat het te gronde gaat.’ Iemand met zulke zorgen, dat lijkt al met al toch wel een wat vroegoude jongen. En onwillekeurig denk je: gaat hij straks ook het leven kort houden misschien, zoals je een gesprek kort houdt?

‘Nu, mijn haren zijn de hoop/ ontgroeid’  – welke hoop? dat zij niet ‘te gronde’ gaan – en ‘mijn nagels splijten / van verwijt’. Broze, splijtende nagels wijzen op veroudering, en hier misschien dus ook op het besef tekort geschoten te zijn: een al te snel verlies van jeugdigheid. Er wordt gezinspeeld op een teruggetrokken leven, ‘stilte/ omsingeld door rumoer van alledag.’

En zo komen we uit bij de derde en laatste strofe. De ‘waarde van de dood’ kennen, is een stoïcijns aandoende gedachte. De dood als toestand, en dat is dus wel iets anders dan de dood als proces, welk proces ‘de prijs’ is die voor de toestand wordt betaald.

Behalve de waarde van de dood kent de dichter Wigman echter ook ‘het gewicht/ van een woord’, wat inhoudt dat in zijn visie niet alles door de dood met de vlakte gelijk gemaakt wordt, zoals zijn haren, zijn nagels, zijn ik.

Wat blijft – en metaforisch doorgroeit na zijn dood – is het woord, zeg het gedicht.

Een gedicht als dit.

Menno Wigman, ’s Zomers stinken alle steden. Amsterdam, Uitgeverij Bert Akker, 1997.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Menno Wigman: Tot zichzelf

  1. Peter Altena schreef:

    Veel dank! Wat zou ik graag de héle Menno Wigman in dundruk lezen! Een biografie is in het vooruitzicht gesteld, maar graag eerst de Verzamelde Wigman!

Laat een reactie achter