Kemp en Magritte

Door Wiel Kusters

Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei.
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Voorjaar 1934. De dichter is uit zijn bed gekomen, voor een glas water misschien. Het stille leven van de planten buiten, achter het keukenraam, laadt de slaap- en droomloze momenten met een moeilijk grijpbaar iets, een essence, die als geur zelfs van ver lijkt te komen aandrijven, uit de ‘grote wei’ (waarmee niet niet de tuin van de dichter in de Maastrichtse Turennestraat bedoeld zal zijn).

Kemp schreef dat gedicht op een achtste april, bijna vijfentachtig jaar geleden.

Hij schrijft ‘gerankten’ (met een n aan het eind, een slordigheidje waarschijnlijk), en doelt daarmee op planten die rank omhoogsteken. Van ‘ranonkels’ maakt hij ranonkelingen, waardoor ze nog wat minder grijpbaar en geheimzinniger worden. En dan noteert hij deze verrukkelijke regels: ‘Het is zo stil in de keuken/ en de maan schijnt op een ei.’

Van geluidloosheid via geuren naar een uiterst puur visueel motief.

De stilte wordt adembenemend.

Voor zover ik weet heeft Kemp, zelf gedurende twee periodes actief als kunstschilder, zich nooit uitgelaten over de artiste peintre René Magritte. Surrealisme en magisch realisme waren geen termen waarmee je hem aan boord moest komen. Toch ontkom ik er niet aan, bij de laatste regels van ‘Nachtstilte’ even aan Magritte te denken. Aan ‘La Clef des songes’ bijvoorbeeld, uit 1930, het laatste doek van de gelijknamige serie. Het geschilderde ei wordt begeleid door het woord ‘l’Acacia’, het woord ‘la Lune’ staat onder de afbeelding van een damesschoen. Een ei, de naam van een boom als exempel van vegetatief leven, de maan, schoeisel van een vrouw. Een associatieve reeks van woorden en beelden die aan Kemps geest had kunnen ontspruiten.

Of neem ‘Les Affinités électives’ (1932): het ei (dat geen vogel is en ook geen vrouw, maar ondertussen!) in een kooi. Mijn eigen associatielust voert me terug naar de ‘plant in een kooi’ uit Kouwenaars gedicht ‘de taal’, waarover ik in een eerder stukje heb geschreven. Maar ook, en dat lijkt me relevanter, naar Kemps gedicht ‘Kamerplanten’, uit 1934.

Kamerplanten

Over de bloemen die achter de ruiten staan
schijnt de maan.
Ze zijn niet meer van heden
maar schijnen gebleekt en overleden.
Ze leven niet meer naakt met lucht en licht
en hebben al een tulen gezicht.

Het zijn opgesloten planten. Vormen van het allerstilste leven. Achter gordijnen van tule, als achter sluiers die hun gezicht bedekken. Ook hier lijkt Magritte niet ver.

  • Pierre Kemp, Verzameld werk. [Drie delen.] Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1976.
  • Pierre Kemp, Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp. Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk. Nijmegen, Vantilt, 2017.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter