Is meten weten? Bericht uit de wereld van de klemtoon

Door Marc van Oostendorp

Ik ben van huis uit fonoloog en geen foneticus. Er zijn allerlei verschillen tussen deze zusterdisciplines. Zo gaat fonologie over klanken als onderdeel van de taal (de relatie met andere onderdelen van de grammatica, bijvoorbeeld, de manier waarop ons innerlijke woordenboek in elkaar zit, hoe we daar onthouden hoe we woorden zeggen en hoe ze klinken) en fonetiek over klanken als onderdeel van de natuur (de geluidsgolven, de bewegingen van het lichaam die nodig zijn om ze te maken). Daar zitten ook andere verschillen aan vast, zo zijn fonologen geneigd om wat theoretischer te zijn terwijl fonetici prijs stellen op nauwkeurige metingen.

Je zou zeggen dat het allemaal nodig is voor goed begrip van een ingewikkeld verschijnsel als spraakklanken, maar zo denkt niet iedereen erover. Er is een menselijke neiging om zodra twee groepen zich bezighouden met verwante verschijnselen te wensen dat de ene groep veel beter is dan de ander: je bent team ologie of team etiek. Ik zat een keer in een promotiecommissie van een fonetisch proefschrift toen ik door de rector tijdens de verdediging ook als foneticus werd aangeduid. De promotor ontplofte zowat. Zo zuiver wetenschappelijk als de fonetiek mocht wat ik deed niet heten! De fonologie met al zijn theorieën was daarvoor te speculatief!

Luchttrillingen

Mij heeft het in ieder geval niet gehinderd om de fonetiek altijd te blijven volgen. Het is nuttig om er als lid van het team ologie iets vanaf te weten, en er gebeuren interessante dingen. Ik ben zelf niet zo’n meter, maar het is natuurlijk altijd goed om te weten wat andere meten.

Nu zijn de afgelopen jaren natuurlijk allerlei zo streng op kwantiteiten gerichte disciplines  in de mens- en geesteswetenschappen zoals veel takken van de psychologie en van de medicijnen in de problemen geraakt, met name in de zogeheten replicatiecrisis. Allerlei hoogst wetenschappelijk opgezette en uitgevoerde experimenten bleken in de laboratoria van andere onderzoekers niet goed na te doen.

De fonetiek heeft die replicatiecrisis bij mijn weten niet bereikt. Het vak is misschien ook niet zo uit op het soort spectaculaire weetjes waar bijvoorbeeld de sociale psychologie om bekend staat; men bouwt al ruim 150 jaar voort aan een heel precieze kennis van hoe we bewegen met tong en lippen en wat voor luchttrillingen dat te weeg brengt. De verleiding om niet repliceerbare resultaten te produceren was minder groot. Het team etiek is altijd serieus geweest, geloof ik.

Manipuleren

Het siert de collega-fonetici dat ze desalniettemin de crisis in andere vakken aangrijpen om hun eigen methoden ook goed onder de loep te nemen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een nieuw artikel in het tijdschrift Laboratory Phonology. 

(Even tussen haakjes, ik begrijp dat de term Laboratory Phonology enigszins paradoxaal is gegeven mijn uitleg hierboven. Die paradox is vermoedelijk gewild door de naamgevers. De wereld is niet zo zwart wit, dit is een blad van mensen die de kloof willen overbruggen. De auteur van het besproken artikel heeft het dan weer wel de hele tijd expliciet over ‘phonetic research’.)

De auteur van dat artikel, de Amerikaan Timo  Roettger, maakt zich vooral zorgen over wat hij de onderzoekersvrijheidsgraden noemt, ‘researcher degrees of freedom’. Stel dat je als foneticus de volgende hypothese wil toetsen:

  • In taal T klinken beklemtoonde klinkers anders dan onbeklemtoonde.

Nu ga je meten aan opnames die je gemaakt hebt van taal T. De vraag is dan: wat meet je precies? In de literatuur vinden we dat beklemtoonde klinkers onder andere van onbeklemtoonde kunnen verschillen in lengte (beklemtoonde zijn langer), toonhoogte (beklemtoonde zijn hoger), mogelijk in intensiteit (beklemtoonde hebben meer energie), en zo nog meer. Het is niet onmogelijk om zo twintig mogelijke verschillen op te stellen, en die kun je allemaal gaan meten. Bovendien kun je nog allerlei andere zaken manipuleren: hoe groot moet het verschil bijvoorbeeld zijn?

Replicatie

Alles  bij elkaar heb je dan zoveel vrijheid dat de kans groot is dat je sowieso iets vindt dat je stelling bevestigt, en wel op een manier die statistisch significant is. Roetger rekent dat niet alleen voor, maar omdat hij een echte foneticus is, doet hij ook een experiment: uit een grote verzameling beklemtoonde en onbeklemtoonde klinkers in een taal, maakte hij steeds willekeurige deelverzameling. De ene groep (waarin dus zowel beklemtoonde als onbeklemtoonde klinkers zaten) noemde hij telkens ‘beklemtoond’ en de ander (die ook willekeurig gemengd was) ‘onbeklemtoond’. Hij laat zien dat met een aantal beproefde meettechnieken de zogenaamd ‘beklemtoonde’ in de meerderheid van de gevallen van de ‘onbeklemtoonde’ lettergrepen kunnen worden onderscheiden. Je vindt altijd wel wat.

Zo creëert Roetger als het ware zijn eigen minicrisis in de fonetiek (hij is zelf een onderzoeker van klemtoon). Dat lijkt me interessant genoeg, vooral als waarschuwing voor onderzoekers.

De aanbevelingen die Roetger er zelf uit haalt zijn dan weer een beetje teleurstellend. Het zijn het soort aanbevelingen dat mensen die blijven geloven in de unieke kracht van het meten ook in andere disciplines hebben gedaan. Schuif de grens voor significantie verder op. Zorg dat experimenten gerepliceerd kunnen worden. Registreer voordat je gaat meten heel precies wat je gaat doen.

Kanon

Wat daarbij ontbreekt is het idee dat je een en ander in een wat subtielere theorie moet zien te vatten. Dat die theorie je kan behoeden voor in ieder geval sommige van deze problemen.

De hypothese hierboven is bijvoorbeeld eigenlijk niet op zichzelf te toetsen. Je moet tevoren weten wat je precies verstaat onder een beklemtoonde klinker. Je hebt een theorie nodig die dat vertelt. Dat is waarschijnlijk een fonologische theorie, want klemtoon is een taalverschijnsel: een beklemtoonde klinker is prominent volgens een bepaald, door de taal gegeven systeem (in het Tsjechisch ligt klemtoon altijd op de eerste lettergreep, in het Pools op de een na laatste;  in het Nederlands moet je uit je hoofd leren op welke lettergreep klemtoon ligt in woorden als kanon).

Speculatief

Bovendien zijn er allerlei theorieën over wat mogelijke manieren zijn waarop klemtoon tot klinken wordt gebracht. Het is bijvoorbeeld enigszins controversieel of intensiteit daarin in enige taal een unieke rol kan spelen. Er zijn fonetici en fonologen die dat op theoretische gronden niet geloven. Als nu uit je experiment blijkt dat in taal T alleen een heel subtiel verschil in intensiteit van belang is, breng je die mensen in de problemen. Die zullen daarom niet geprikkeld hoeven te worden tot replicatie, want er hangt voor hen niets echt vanaf.

Aan de andere kant: als blijkt dat in taal T klemtoon wordt uitgedrukt met een vrij fors verschil in duur van de klinker, is dat voor de meeste onderzoekers een weinig interessant gegeven. Taal T is dan hetzelfde als een heleboel andere talen. Waakzaamheid is altijd geboden, maar de prioriteit van de gemeenschap hoeft niet te liggen bij replicatie. Zoals je ook niet erg beroemd zult worden door dit experiment dat niets lijkt aan te tonen.

Het hebben van een goed theoretisch kader waarin je je gegevens kunt interpreteren of niet, dát lijkt me dus echt een belangrijk project. De fonoloog in mij zegt dat het daar in de fonetiek te vaak aan ontbreekt, net als in sommige van de disciplines die door de replicatiecrisis in de problemen kwamen. Je kunt niet alleen meten, je moet soms ook nadenken, hoe ‘speculatief’ en ‘onwetenschappelijk’ sommigen dat ook vinden. De enige echte oplossing lijkt mij een nauwere samenwerking van etiek en ologie.