Gedicht: J. Slauerhoff • Ontherseningslied

Ontherseningslied’ van J. Slauerhoff is een vrije vertaling van Alfred Jarry’s ‘La chanson du décervelage’ uit diens beroemde toneelstuk Ubu roi.

Ontherseningslied

Ik fabriceerde al jarenlang lijkkisten
– Allerheiligenparochie, Marsveldstraat -,
Mijn vrouw was een hoogst bekwame modiste:
We verdienden op leven en dood, dat ging niet kwaad.
Als ’t mooi weer was op een Zondagmorgen,
Dan trokken we onze beste spullen aan,
Om te gaan zien naar het hangen en worgen
En onthersenen al op de galgenbaan.

Onze vieze wurmpjes gooiden met dadelpitten
En zwaaiden geestdriftig poppetjes van karton;
Wij gingen deftig in ons rijtuig zitten
En rolden naar de baan zoo vlug als ’t kon.
Daar begon ’t gedrang, we sloegen ons er doorhenen
En stonden met eksteroogen op goeden voet;
Ik klom altijd boven op een hoop steenen,
Anders kreeg ik mijn bottines vol bloed.

Weldra zijn wij met hersenbrij bespat,
Mijn gade, ikzelf en onze stumperdjes,
Die juichen: de Justitie zwaait zijn lat
Tegen de lui met de looden nummertjes! –
Daar zie ‘k, haast aan de beurt, bij de machien’
Een paap die collecteerde aan kerkedeuren;
Jou ouwe schurk, jou heb ik meer gezien,
Je hebt me afgezet, dat zal niet weer gebeuren!

Zie, de machine gaat van tiereliere,
De hersenbrij kronkelt als een hoop pieren!
Zie, hoe verbleeken de rentenieren!

Hoera! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

Mijn vrouw trekt me aan de mouw, ik snauw: verrek! –
Zij: dooie pier, nu kan je onsterf’lijk worden,
Gooi hem een vuilnishoop voor zijn bek! –
De Justitie draait zich om, nu is ’t aan de orde.
Die uitstekende raad stijgt mij naar ’t hoofd,
En ik grijp heldenmoed en nog wat met
Beide handen aan – ’t was den burger beloofd,
Maar ’t ploft de Justitie op zijn platte pet.

Zie, de machine gaat van tiereliere,
De hersenbrij spat door de schedelkieren!
Zie, hoe verbleeken de rentenieren!

Hoera! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

Al daad’lijk word ik over ’t hek gesmeten;
’t Geëerd publiek, verstoord om de euv’le daad,
Slingert mij, met het hoofd naar beneden,
’t Groot gat in dat je levenslang niet weer verlaat.
Dat komt er van als fatsoenlijke luiden
Op Zondag wand’len al naar de galgenbaan,
Om te zien naar ’t scalpeeren, kophakken, onthuiden:
Je gaat levend heen, je komt er dood vandaan.

J. Slauerhoff (1898-1936)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter