Gedicht: H. Marsman • De grijsaard en de jongeling

De grijsaard en de jongeling

Grootsch en meesleepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

– ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
buiten uw hart, weer het al uit uw kamer –
laat alles wat tot u komt onder groote en oorlogszuchtige namen
buiten uw raam in den regen staan:
het is slecht te vertrouwen en niets gedaan. –

alleen het geruisch
van uw bloed en van uw hart het gehamer
vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis –
zwicht nooit voor lippen:
samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;
alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat
is een zuiver hart op een zuivere maat. –

zie naar mijzelf.
ik heb in mijn jeugd
mijn leven verslingerd aan duizend dingen
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes…
en wat is het alles te zamen nu nog geweest?
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen?
en hoeveel is er dat misschien nooit geneest?

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees. –

H. Marsman (1899-1940)
uit: Porto Nigra (1934)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.