Een van de laatste columnisten die iets te zeggen had

Door Marc van Oostendorp

Toen de journalist J.L. Heldring bijna zeven jaar geleden ophield met zijn column, betreurde een lezer op de website van NRC Handelsblad de auteur als “een van de laatste NRC-columnisten die werkelijk iets te zeggen had”. Een andere journalist van NRC Handelsblad, Frits Abrahams, besteedde vervolgens aandacht aan die frase in een column waarin hij erop wees dat hier een zinsnede werd gebruikt waartegen Heldring juist lang in het geweer was getreden:

De lezer had ‘hadden’ moeten schrijven in plaats van ‘had’. In zijn taalboek De taal op zichzelf is niets schrijft Heldring er bedroefd over: „Deze fout komt zo vaak voor dat ik niet alle passages waarin ik haar aantrof, ga citeren.”

Wat is fout? De kwestie wordt opgepikt in een onlangs verschenen artikel van mijn Nijmeegse collega’s Lotte Hogeweg, Stefanie Ramachers en Helen de Hoop. 

Zij deden iets simpels: tellen, en wel op de website Fok.nl, waar vooral jongeren en masse met elkaar discussiëren over allerlei onderwerpen, in een taal die je ‘informeel Nederlands’ kunt noemen. Ze verzamelden gegevens in 2011 (dus vlak voor Heldrings dood). Wat bleek? Tachtig procent van de voorbeelden hadden een werkwoord in het enkelvoud.

Er zijn dan mensen die ach en wee klagen omdat kennelijk iedereen het tegenwoordig fout doet. Maar deze collega’s doen iets anders: ze laten zien dat er onder die zogenaamde fouten een logica verborgen zit. Degenen die ‘fouten’ maken doen niet zomaar wat, maar volgen feitelijk een andere, waarschijnlijk onbewuste regel.

Zelfs als je denkt dat het dan tóch fout is, is het de moeite waard dat te overwegen, vooral als je, in navolging van Heldring, meent dat het enkelvoud in dit soort gevallen wijst op een ‘denkfout’.

Wanneer je de volgende zin schrijft, betogen mijn collega’s, ken je een eigenschap toe aan Heldring. Je bent niet zozeer bezig met de groep columnisten die iets te zeggen hadden, maar je benadrukt het unieke van Heldring. Dat rechtvaardigt het enkelvoud: je zegt iets over een individu.

Heldring was een van de laatste columnisten die iets te zeggen had.

Er zijn een aantal aanwijzingen voor deze bewering. Een ervan is dat de constructie vrijwel alleen gebruikt wordt als naamwoordelijk deel van het gezegde (zoals in dit geval): dat gold voor 85% van de aangetroffen gevallen (in de belangrijkste groep uitzonderingen werd de constructie als onderwerp gebruikt: “Een van de laatste columnisten die iets te zeggen had, is dood”). Precies dat naamwoordelijk gezegde gebruik je natuurlijk om iets te zeggen over het onderwerp (‘Jan is een van de grootste zangers die ooit geleefd heeft’, ‘Mijn moeder is een van de weinige mensen die mijn zangkunst waardeert’). In die 85% werd dan ook het enkelvoud nog net wat vaker gebruikt (82%) dan anders.

Not een aanwijzing: de constructie werd heel vaak gebruikt met weinige (‘hij is een van de weinige columnisten die nadenkt over taal’), dat natuurlijk precies bedoeld is om de uniciteit van iemand uit te drukken. En als dat gebeurde, schoot het percentage enkelvoudsvormen ook weer omhoog (tot 89,9%). Ook gebeurde het trouwens vaak dat er alleen maar weinigen stond: ‘hij is een van de weinigen die naar mij luistert’.

Taalgebruik verloopt uiteindelijk altijd via regels. Dat kunnen statistische regels zijn – er is een neiging om enkelvoud te gebruiken, maar geen absoluut voorschrift, 20% is nog steeds niet niks –, maar regels zijn het wel. Dat die nieuwe regel in strijd is met wat in de schoolboekjes staat, kan een bron zijn van ergernis voor wie ervan houdt zich te ergeren, maar hoe dan ook is er iets interessants aan de hand – het laat iets zien over hoe we denken, en hoe we onze taal gebruiken. Het laat iets zien van de natuurlijke logica van de menselijke geest.