Eén Pendek is geen Pendek

Naamsverwarring bij de Orang Pendek uit Indonesië 

Door Henk Hiensch


Nederland en Indonesië delen samen een lange geschiedenis. Het moment dat de Hollandse koopvaardijschepen eind 16e eeuw voor het eerst aankwamen bij de Indische Archipel markeert het begin van de (opgedrongen) relatie tussen onze landen. De Westerlingen kwamen zeker al sinds de 17e eeuw thuis met de mooiste verhalen over de vreemdste wezens. Een van deze wezens was de Orang Pendek.

De Orang Pendek is volgens de verhalen een onbekende aapachtige die schuilging in de bossen van Sumatra. Net als bij de orang-oetan lijkt het Indonesische woord ‘orang’, wat letterlijk ‘mens’ betekent, in dit geval de betekenis ‘aap’ of ‘mensaap’ te hebben. Het zou gaan om een redelijk grote aap die zich op twee benen voortbeweegt en die door verschillende mensen is waargenomen. De kleur van de vacht varieert van geel tot zwartbruin, zijn lichaamslengte zit tussen de 80 en 160 centimeter, en zijn voeten zouden naar binnen gekeerd zijn of zelfs achterstevoren zitten.

Aan het begin van de 20e eeuw, zo’n honderd jaar na de eerste verhalen, begonnen Nederlandse kolonisten te geloven dat zo’n wezen misschien echt bestond. Ene dr. Edward Jacobson, een kolonist met interesse in de natuur, schreef in 1917 dat twee verzamelaars die bij hem in dienst waren een jaar eerder een Orang Pendek hadden gezien, net buiten hun kamp aan de voet van de Bukit Kaba. In 1918 schreef Louis Constant Westenenk, een Nederlandse politicus op Sumatra, in het tijdschrift Tropische Natuur, een stuk over de Pendek, waarin hij steeds meer geïnteresseerd was geraakt. Dit inspireerde anderen weer om hun verhalen te delen. Zo is er een verhaal van hoe de heer Coomans, manager van de spoorweg van Padang, in een rivierbedding in het Barissangebergte sporen vond van “dwergmensen.” In handgeschreven aantekeningen, vermoedelijk opgetekend door Dr. Jacobson, staan de volgende regels:

Afdrukken waren die van mensenvoeten, maar veel kleiner. Best te vergelijken met voetsporen van kinderen. Dit [gebied is] toch geheel onbewoond en bij de sporen [kwamen] geen andere grotere voor en niet aan te nemen, dat kinderen zich zo diep in de wildernis zouden wagen. Veronderstelling sporen van een klein slag mensen.

Tussen 1910 en 1923 is het wezen zo’n zes keer gezien door Westerlingen en zijn er op vijftien verschillende locaties in het uitgestrekte Barissangebergte voetsporen gevonden. Sommige aapachtig, sommige meer menselijk. Eén van de gevonden sporen – de sporen die in 1924 gevonden werden op het Aer Teman erfgoed, nabij Muara Bliti om precies te zijn – kon naderhand verklaard worden als zijnde het spoor van een Maleise beer, maar voor alle andere sporen ging dat niet op. Zijn de oorspronkelijke verhalen dus gebaseerd op feitelijke waarnemingen? Of is het andersom, en verklaarde men de gevonden sporen juist door middel van bekende, eeuwenoude verhalen?

Het is mei 2018 en ik reis af naar Sumatra om meer te weten te komen over de Orang Pendek. Zijn de verhalen vandaag de dag nog actueel? Wanneer was de laatste waarneming? Wat maken de plaatselijke mensen tegenwoordig van deze verhalen? En hoe ziet dat leefgebied eruit waar al deze waarnemingen en vondsten bijna honderd jaar geleden zijn gedaan? Ik heb enkele trekkings ingepland in het hart van de Sumatraanse jungle. Trekkings die ons langs zoveel mogelijk van de oude locaties zullen brengen. Niet dat ik echt verwacht zelf iets te vinden, maar het staat vast dat ik zo meer over de Pendek te weten zal komen dan wanneer ik thuis blijf.

In het warme, mooie en bijzonder gastvrije Indonesië worden we ontvangen door onze gids/chauffeur Deddy. Deddy kent de verhalen van de Orang Pendek, en toen hij enkele jaren geleden nog in de houtkap werkte, heeft hij ook eens kleine, bijna menselijke voetsporen gevonden. Diep in het oerwoud. De plaatselijke bewoners verklaarden dat die van de Pendek moesten komen, en zij hebben op de locatie twee kippen geslacht als vredesoffer. Of de kleine wezens nu echt bestaan, wist Deddy niet. Maar dat het meer was dan zomaar een verhaaltje, daar was hij van overtuigd.

Het is niet verwonderlijk dat eeuwenoude verhalen nog leven op de plekken waar mensen het dichtst bij de natuur staan. Door niet lineair te leven, maar circulair, in dezelfde cycli als de natuur, verstrijkt er geen tijd zoals wij dat tegenwoordig in de Westerse wereld gewend zijn. Orale tradities houden geen tijd bij. Ze worden vandaag de dag verteld alsof ze gisteren hebben plaatsgevonden, terwijl het in werkelijkheid honderden jaren geleden kan zijn. Zo vertellen de Aboriginals in Australië nog altijd over de Droomtijd en geloofde de bevolking van Hokkaido nog in de 20e eeuw in de actualiteit van mythische wezens die in werkelijkheid terug te leiden waren tot een verdwenen bevolkingsgroep uit de 16 eeuw.

De verhalen van aapmensen op Sumatra blijken dus nog actueel, maar het is niet te zeggen of de gebeurtenissen uit de (doorvertelde) verhalen ook echt recent hebben plaatsgevonden. Mogelijk zijn ze in werkelijkheid veel ouder en worden ze door elke nieuwe verteller geactualiseerd en verweven met recente gebeurtenissen, plaatsen en personen die dichtbij de toehoorder staan om ze zo interessanter te maken. Bovendien gaat het om de kunst van het vertellen, niet om hoe waarheidsgetrouw het verhaal is. Maar hoe zit het dan met concrete waarnemingen als die van onze gids Deddy, die met eigen ogen voetsporen heeft gezien? En alle mysterieuze voetsporen die de Indonesische onderzoeker Dally Sandradiputra dankzij een groot “burgerwacht” netwerk steeds weet te vinden in het oerwoud? Of alle keren dat de Britse Debbie Martyr, de nummer 1 Pendek-deskundige, het wezen met eigen ogen zag?

De trekkings verlopen voorspoedig. Onze plaatselijke gidsen maken met hun kapmessen de weg vrij, en enkele dagen lang volgen we een oude “game trail” naar afgelegen locaties in het Barissangebergte. Het is goed mogelijk dat hier nog nooit iemand geweest is, zeggen de gidsen. De siamangs joelen luid boven onze hoofden, de bloedzuigers worden ieder uur groter en talrijker, en in de dichte begroeiing lijkt het er iedere keer weer op of we worden begluurd. Niet door Pendeks misschien, maar bijvoorbeeld door wilde zwijnen, waarvan we af en toe sporen tegenkomen, of zelfs tijgers, die hier ook voorkomen.
Wanneer ik ’s nachts in het krappe tentje lig, zie ik de vuurvliegjes door het tentdoek over ons heen vliegen. Ratten klingelen in onze voortentjes om onze voorraadblikjes leeg te likken, en grote takken breken in de verte. Er zijn meerdere grote dieren waarvan we weten dat ze ergens in dit oerwoud moeten zijn, en toch hebben we die niet gezien. Zat daar niet ook ooit een mensaap tussen? Ik zie daar geen enkel bezwaar tegen. En als je bedenkt dat er in november van vorig jaar een nieuwe, zeldzame orang-oetansoort is ontdekt hier op Sumatra, dan blijkt maar weer dat grote primaten zich in dit oerwoud kunnen bevinden zonder ontdekt te worden.

In Sungai Penuh ontmoeten we de Indonesische Pendek-onderzoeker Sandradiputra. Hij weet zeker dat de Pendek bestaat en toont ons meerdere gipsafgietsels van gevonden voetsporen. De sporen zijn groot en overduidelijk aapachtig, met een zijwaartse grote teen. Ik zou zelf meer mensachtige sporen hebben verwacht, maar Sandradiputra verzekert ons dat Pendek sporen er zo uit zien.

Onderzoekster Martyr, die ook bereid is met ons te spreken, is het met Sandradiputra eens. Het voetspoor dat ik van hem heb gekocht is precies zoals het eruit zou moeten zien. Haar theorie is dat het hier gaat om een aapachtige van ongeveer het formaat van een gemiddelde Indonesiër. Dus geen orang (mens), en ook niet pendek (klein). Alle kleine mensachtige voetsporen die er in het verleden gevonden zijn, zijn volgens haar van Maleise beren geweest. Waarschijnlijk leeft de aapachtige nog wel, al is deze sinds 1997 nog maar nauwelijks waargenomen. Een van de laatste keren moet in 2008 geweest zijn.
Toch klopt het niet helemaal. Westenenk beschrijft menselijke voetsporen en heeft het ook echt over “boschmenschen” en niet over apen.

Het antwoord vinden we misschien in het ooggetuigenverslag van de Nederlandse kolonist Van Herwaarden, die in 1923 een aapmens tegenkwam. Enkele jaren eerder, in 1916, was Van Herwaarden voor de houtkap in Palembang en hoorde daar over een mysterieus wezen genaamd “sedapa.” Daarover werden zoveel tegenstrijdige en fantasierijke dingen verteld, dat hij er niks van geloofde. Maar, in oktober 1923, zag hij met eigen ogen zo’n zogenaamde “sedapa.” Lichtelijk behaard maar met lang haar op het hoofd, met toch een erg menselijk voorkomen. De volgende zinnen komen uit zijn naar het Engels vertaalde verslag:

The eyes were frankly moving; they were of the darkest colour, very lively, and like human eyes. (…) I did not see its feet, but I did see some toes which were shaped in a very normal manner. (…) Many people may think me childish if I say that when I saw its flying hair in the sights I did not pull the trigger. I suddenly felt that I was going to commit murder.

‘Sedapa’ is een van de vele andere namen voor de Orang Pendek. In totaal zijn er wel zestien benamingen op heel Sumatra die allemaal op hetzelfde wezen slaan. Daar zit waarschijnlijk de crux. Aangezien alle (tegenstrijdige) informatie over de Orang Pendek erg makkelijk te verdelen is in “aapachtig” enerzijds en “mensachtig” anderzijds, moet er vrijwel zeker sprake zijn van minstens twee verschillende wezens waarvoor per ongeluk dezelfde namen worden gebruikt: één aapachtige en één mensachtige.

Het is makkelijk voor te stellen hoe zulke naamsverwarring ontstaat. Westerlingen en plaatselijke bewoners kennen van anderen verhalen van onbekende aapachtigen en op een gegeven moment ziet men zelf zo’n onbekend wezen. Alhoewel dit feitelijk een ander wezen is, vult men in dat het haast wel die aapachtige moet zijn waarover men heeft horen vertellen. Zo dragen twee onbekende wezens, dieren en/of primitieve mensen, dezelfde naam. Daarnaast kan er in een deel van het eiland, bijvoorbeeld het noorden, voor hetzelfde dier een heel andere onofficiële naam circuleren dan in het zuiden. Op die manier is een enkel volk of een enkele diersoort juist onder meer dan één naam bekend. Gooi daar nog wat vergissingen en overdrijvingen doorheen en zie daar: naamsverwarring.
Het lijkt me aannemelijk dat de meest menselijke van alle waargenomen Orang Pendeks het oudste recht hebben op de benaming Orang Pendek in de oorspronkelijke en letterlijke betekenis van “kleine mens.” Deze waren het dan die de kleine menselijke voetsporen, dus niet met een zijwaartse maar met een normale grote teen, achterlieten in het oerwoud. Afgaande op de grootte van die sporen waren ze niet meer dan 1m20 lang.

Ik vraag onderzoeker Sandradiputra of hij niet ook verhalen kent van primitieve, behaarde mensen van zo’n 1m20 lang. Ja, zegt hij. De Orang Rimba, een stam van primitieve mensen die in het oerwoud leven, geloven in een mythisch wezen genaamd de ‘hantu pendek.’ Deze kleine mens was licht behaard, ongeveer 1m tot 1m20 groot, en leefde in groepen van vijf. Met kleine simpele wapens joegen ze op dieren of nietsvermoedende jagers en verzamelaars van de Orang Rimba stam. Deze kleine mensen zijn al erg lang niet gezien. Sterker nog, ‘hantu’ betekent letterlijk ‘geest.’ Nu onzichtbaar, maar ooit een wezen van vlees en bloed.

Zou de orale traditie van de Hantu Pendek een geactualiseerde versie zijn van de oorspronkelijke menselijke Orang Pendek, die honderd jaar geleden misschien wel is uitgestorven of uitgeroeid, en waarvan de naam nu gebruikt wordt voor een onbekende aapachtige? Hoe oud is deze orale traditie? Oud genoeg om verband te houden met de Homo Floresiensis, de uitgestorven kleine mens van ongeveer 1m groot van het Indonesische eiland Flores?

Ik ben inmiddels terug in Nederland en heb de mooie gipsen voetafdruk opgehangen aan de muur van de werkkamer, tussen de ingelijste foto’s van andere projecten. Ik heb het idee dat ik pas het topje van de ijsberg in beeld heb van deze mysterieuze Orang Pendek. Toch neem ik voor nu even genoegen met wat ik op deze reis geleerd heb: één Pendek is geen Pendek.

Bronnen

  • De Vries, S (1682). Curieuse aenmerckingen der bysonderste Oost en West-Indische verwonderenswaerdige dingen; nevens die van China, Africa, en andere gewesten des werelds. 4 stucken
  • Heuvelmans, B (1955). On the track of unknown animals
  • MacRitchie, D (1893). Fians, Fairies and Picts
  • Van Reen, T (2004). Klein Volk
Dit bericht is geplaatst in Vertelcultuur met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Eén Pendek is geen Pendek

  1. Iris Bakker schreef:

    Erg informatief en interessant.

Laat een reactie achter