De toekomst van de taalbeheersing (3/n)

Door Lucas Seuren

Vorige week besprak ik een aantal reacties op het Perspectiefartikel van Carel Jansen in het Tijdschrijft voor Taalbeheersing (€€€), waarin hij zijn visie over de toekomst van de taalbeheersing uit de doeken doet. Deze week wil ik nogmaals stilstaan bij zijn eerste stelling, dat taalbeheersingsonderzoek (weer) primair gemotiveerd moet zijn door praktische vraagstukken. Dit maal doe ik dat aan de hand van de artikelen die specifiek gaan over mijn eigen discipline binnen de taalbeheersing: conversatieanalyse. Dat ze mede geschreven zijn door mijn promotor en co-promotor is natuurlijk louter toeval…

Praktische relevantie

De manier waarop Jansen zijn stelling formuleert impliceert, zoals Huiskes en Stommel (€€€) opmerken, dat taalbeheersing niet meer gemotiveerd is door praktische problemen. Maar, zoals ik in mijn eerste stukje in deze serie al schreef, veel onderzoek in de conversatieanalyse (CA) wordt al opgezet rond maatschappelijke doelen. Zowel Koole (€€€) als Huiskes en Stommel benadrukken dat: Koole door te laten zien dat er vrijwel geen CA-onderzoeker in Nederland is, wiens onderzoek niet gemotiveerd is door praktische vraagstukken over interactie in institutionele settings zoals medische interactie of 112-gesprekken; Huiskes en Stommel door te kijken over onze landsgrenzen.

Die praktische relevantie is volgens Koole alleen niet het enige rechtmatige doel van CA of Taalbeheersing in bredere zin. Toegepaste studies hebben niet alleen een praktisch nut, ze helpen tegelijkertijd de theorievorming: “Ik ben blij dat al dit toegepaste onderzoek niet alleen maatschappelijk nuttige, maar ook wetenschappelijk fundamentele resultaten oplevert.” Die fundamentele resultaten ziet Koole ook liever niet verdwijnen.

Op dat punt lijkt hij Jansen woorden in de mond te leggen. Koole stelt dat hij zich niet kan voorstellen dat Jansen fundamenteel onderzoek zou willen wegsnijden, maar nergens suggereert Jansen dat hij dat wil. Zijn pleidooi was niet tegen fundamenteel onderzoek, maar voor praktisch onderzoek. Mijn proefschrift, dat Koole als voorbeeld van fundamenteel onderzoek noemt, zou Jansen dan ook ongetwijfeld niet willen schrappen. Maar hij had vast graag gezien dat ik de moeite had genomen om iets te doen aan praktische relevantie. Zoals hij het zelf zegt:

In meer en meer hedendaagse taalbeheersingsstudies echter is de relatie met problemen buiten de wetenschap maar lastig zichtbaar. Zelfs een paragraafje over de mogelijke praktische relevantie van de uitkomsten – het minste wat op dit vlak toch van een taalbeheersingsonderzoek verwacht zou mogen worden – ontbreekt vaak in de publicaties…

Je kunt natuurlijk betwisten of zo’n paragraafje iets toevoegt, en in dat opzicht ben ik het met Koole eens. Mijn promotieonderzoek naar hoe vragen begrepen worden is ongetwijfeld toe te passen in allerlei communicatievormen zoals arts-patiëntgesprekken, politie-ondervragingen, nieuwsinterviews, enzovoorts. Maar speculeren over de relevantie lijkt me niet echt een nuttige tijdbesteding. Het is tegenwoordig de norm in onderzoeksaanvragen bij NWO dat je laat zien dat het praktisch nut heeft—valorisatie noemt men dat—maar dat heeft vooral tot effect dat we uit onze duim gaan zuigen. En daar heeft niemand wat aan.

Leermeester-gezel

Huiskes en Stommel gaan nog wat dieper in op hoe die praktische relevantie dan vorm krijgt en moet krijgen. Zij stellen dat wie zich laat leiden door de praktijk, beperkt wordt door de kennis en creativiteit van die praktijk. Terwijl een van de krachten van CA, en wetenschap in bredere zin, juist is dat ze onopgemerkte problemen aan het licht kan brengen en nieuwe kennis kan toevoegen aan bestaande opvattingen. De taalbeheersing moet wat hen betreft dan ook in dialoog gaan met de praktijk, en niet vragen formuleren die door die praktijk als belangrijk worden gezien.

Het gaat juist ook om het herformuleren van vragen, het identificeren van vooronderstellingen in vragen en het formuleren van – voor professionals tot op dat moment – nog onbekende vragen. Kortom, het is de dialoog tussen [Stocks of Interactional Knowledge] en taalbeheersing die waardevol is.

Ik wil hier wel een kanttekening bij plaatsen. Huiskes en Stommel bestrijden het voorstel van Jansen over hoe CA kan bijdragen aan motiverende gespreksvorming. Volgens Jansen kan CA helpen verklaren waarom bepaalde strategieën werken: “Welke elementen in [Motivational Interviewing]-gesprekken dragen wel en niet bij aan hun effectiviteit?” Volgens Huiskes en Stommel is dit geen praktisch probleem, omdat de mensen in de praktijk al weten hoe het werkt. Ze kunnen die kennis wellicht niet altijd goed expliciteren, maar wel overdragen aan hun gezel. Onderzoek is daarmee alleen van belang voor onze eigen theorievorming en de schrijvers van de adviesliteratuur.

Ik denk dat dat wat kort door de bocht is. Ten eerste laat Jansen open dat CA-onderzoek op deze manier onopgemerkte problemen kan identificeren en ten tweede is explicitering van kennis wel degelijk van belang voor de praktijk. Onderwijs werkt beter als we mensen niet alleen vertellen en instrueren hoe ze moeten werken, maar ook waarom ze het juist zo moeten doen en niet op een andere manier.

Bovendien laat CA-onderzoek zoals dat van de sociologe Merran Toerien goed zien dat de ene arts vaardiger is in bepaalde strategieën dan de ander; praktijkkennis wordt niet praktijkbreed gedeeld. Juist door die kennis uit te lichten kunnen we bijdragen aan een brede verdeling van die kennis. Daarmee wordt die kennis ook overdraagbaar naar mensen die geen toegang hebben tot de luxe van een goede leermeester.

Informatie

Tot slot een wat ongerelateerd punt dat Koole aanstipt, maar waar ik het niet geheel mee eens ben: zijn kritiek op Jansens gebruik van de frase “de verbale overdracht van informatie.” Ik heb hier op Neerlandistiek wel eens met Marc van Oostendorp gediscussieerd waarin ik net als Koole fel tegen die formulering was; taalgebruik is niet een pakketje dat van zender naar ontvanger gaat, maar een systeem van handelingen zoals uitnodigingen, begroetingen, beloftes, enzovoorts. En communicatie is zeker niet alleen verbaal. Maar zoals Marc toen terecht opmerkte is die definitie van communicatie vrij gangbaar in andere disciplines. Koole heeft gelijk dat we niet alleen als een soort computers documenten met informatie uitwisselen, maar informatie wordt veelal breder begrepen.

We kunnen binnen de CA natuurlijk een andere definitie van communicatie hanteren—dat lijkt me handig gezien onze onderzoeksinteresses—net als binnen bijvoorbeeld Taalhandelingstheorie. Maar als we als Taalbeheersing willen communiceren met bijvoorbeeld cognitiewetenschappers of iets willen bijdragen aan de discussie over taalevolutie, dan kunnen we niet om die term heen. Misschien kunnen we onze tijd dus beter besteden aan het adequaat definiëren van informatie.

Een van de oprichters van de conversatieanalyse, Emanuel Schegloff, merkte ooit op (€€€) dat hij enorm baat had gehad bij het bestuderen van de antropologische literatuur aan het begin van zijn academische carrière. Hij is weliswaar socioloog, maar kon door die leesobsessie in gesprek gaan met antropologen op hun voorwaarden (“on their terms”). Hoezeer “de verbale overdracht van informatie” binnen de conversatieanalyse een volstrekt ongepaste definitie moge zijn, als CA een serieuze wetenschappelijke wil zijn en blijven, dan is het nodig dat we niet alleen naar binnen kijken, maar ook naar buiten. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor CA, maar voor elke vorm van taalbeheersing en taalkunde. Met andere woorden, we moeten onze interactie afstemmen op onze gespreksdeelnemers. En dat zal Koole als door de wol geverfde CA-onderzoeker bekend voorkomen (€€€).

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.