Gedicht: Gust Gils • hoe schoon nietwaar het land des zondags

hoe schoon nietwaar het land des zondags
(morgen beloftevol openstralend
en straks na de middag zullen overal dezelfde
bronstige koppels wandelen in eer en deugd
hun verlangen behoeft bliksemafleiders)

laat nu niet na een vroege buurttram te nemen
gij kunt u gratis gaan zelfmoorden de bossen staan open
(voorbij de tijd van het grootgrondbezit)
niemand zal nog naar u vragen in een rustig hoekje
zult gij vergaan tot nuttige bladgrond

en alles gaat gewoon verder met gebeuren
mijnheer en madame van hiernaast
vieren hun porfieren bruiloft of iets dergelijks
zonsverduisteringen hebben plaats
en de heilige in zijn plaatijzeren eenpersoonsbed
versteent in ijskoude vizioenen.

Gust Gils
uit: Partituur voor vlinderbloemigen (1953)

De betekenis van dit gedicht ligt geheel herwaarts van het woord, soms lichtjes derwaarts van het beeld. Het richt zich op door eigen veerkracht en dit in een dampkring, die gezuiverd werd van alle buitenissigheden inzake stijlmiddelen. En toch is de toets modern, toch vermag de gepuurde visie, uitgedrukt met woorden in hun gewoonste betekenis, een tijdeloze verte op te roepen, die ons evenveel, liefst meer boeit dan regels, die halvelings bleven steken tussen pop- en vlinderfase.
• Karel Jonckheere

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.