De durf van het grote gebaar

Door Marc van Oostendorp

Eind vorig jaar werd Rens Bod volkomen terecht door de Universiteit van Amsterdam uitgeroepen door UvA’er van het jaar. Hij is een academicus die zijn verantwoordelijkheid als intellectueel neemt. Hij is enorm breed belezen, heeft twee jaar geleden een zware administratieve taak op zich genomen, is een van de belangrijkste drijvende krachten achter WO in actie, en ontpopte zich de laatste jaren behalve als informaticus en taalkundige ook nog eens als historicus van de wetenschappen.

Enkele jaren geleden verscheen van hem De vergeten wetenschappen, waarin hij liet zien hoe belangrijk geesteswetenschappen waren geweest in de ontwikkeling van ‘de’ wetenschap. In een nieuw boek, Een wereld vol patronen, zet hij die lijn door – nu nóg grootser opgezet: dit boek gaat, aan de hand van 10 casuswetenschappen, waaronder wiskunde, sterrenkunde, taalkunde, geschiedswetenschap en rechtswetenschap over de ontwikkeling van álle wetenschap, over de hele wereld en sinds we iets weten over de cognitie van homo sapiens.

Cyclus

Het is een groots boek, onder andere vanwege Bods durf – de durf van het grote gebaar. Want Bod waagt het, nog explicieter dan in De vergeten wetenschappen heel grote lijnen uit te zetten, zonder de nuance uit het oog te verliezen.

Eén zo’n lijn: in de periode tot en met de vroege oudheid waren onderzoekers wereldwijd vooral bezig met het bespeuren van patronen – of dat nu de maancyclus was, de structuur van een werkwoordsparadigma in een vreemde taal of de lengte van de zijden van een gelijkhoekige driehoek.

In de oudheid en wat Bod de ‘postklassieke tijd’ noemt, min of meer corresponderend met wat in het westen meestal de middeleeuwen heet, ontdekt men het ‘principe’ – het inzicht waaruit je patronen kunt verklaren of in ieder geval kunt afleiden – én het feit dat je een aantal principes zelf weer kunt verklaren door eeen groter overkoepelend principe.

Het kenmerk van de moderne tijd, sinds 1500, en in ieder geval in het westen, is dat men ontdekt dat de manier waarop je van data naar patronen en van patronen naar principes komt zélf een structuur heeft – de empirische cyclus.

Vertrouwd

Bod blijft erbij dat patronen, principes en empirische cyclus alle drie net zo goed te vinden zijn in de ontwikkeling van de geesteswetenschappen of de rechtswetenschappen als in de natuurwetenschappen. In De vergeten wetenschappen toonde hij al aan dat Galileo Galilei in zijn experimentele werk in de sterrenkunde hoogstwaarschijnlijk geïnspireerd was door zijn vader Vincenzo, een muziekwetenschapper die had laten zien hoe je theorieën kon bijstellen aan de hand van empirische waarnemingen, en de nieuwe theorie vervolgens ook weer kon toetsen.

In dit boek laat Bod in meer detail zien hoe ook de humanistische filologie – de reconstructie van klassieke teksten door gedetailleerde tekstkritiek – de empirische cyclus ontdekte, en hoe sommige belangrijke natuurkundigen in de zeventiende eeuw, zoals Johannes Kepler, tevens filologen waren:

Galileo was dus vertrouwd met de empirische cyclus in de experimentele wetenschap der musicologie, terwijl Kepler met diezelfde cyclus vertrouwd was in de niet-experimentele wetenschap der filologie.

Dat onderscheid tussen experimentele en niet-experimentele wetenschap is belangrijk, maar boeiend is vooral dat Bod laat zien hoe men zo op verschillende manieren bij de cyclus uitkwam.

Breintjes

Natuurlijk beweert Bod niet dat deze lijn patroon > principe > empirische cyclus almaar omhoog gaat. Nog steeds zijn er geleerden in allerlei disciplines die tot ieders tevredenheid volstaan met het ontdekken van patronen.

Bods eigen historische werk is er in zekere zin een voorbeeld van: in allerlei vakgebieden en in allerlei culturen vindt je dezelfde ontwikkeling, maar waarom dat nu precies zo is, dat weten we nog niet – behalve dat je natuurlijk geen principes kunt opstellen als je geen idee hebt wat het patroon precies is, daar kom je niet precies achter.

Bod wijst er zelf op dat de mens in de afgelopen 15000 jaar natuurlijk niet slimmer is geworden, maar dat is dan ook waarschijnlijk irrelevant. Het gaat hier niet om de mens als individu, maar de mens als soort – die sowieso alleen kan overleven doordat hij ideeën kan overnemen van zijn ouders. De wetenschap is een volgende stage in die ontwikkeling, waardoor we over vele generaties heen ideeën met onze beperkte breintjes toch steeds verder kunnen ontwikkelen.

Maar daarvoor heb je wel mensen nodig die af en toe durven een flinke stap te zetten. Zoals Rens Bod. Chapeau.

Rens Bod. Een wereld vol patronen. De geschiedenis van kennis. Amsterdam: Prometheus, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.