Toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was óók dood

De Multatulileescursus (15)

Door Marc van Oostendorp

– Stelling: als Multatuli alleen het verhaal van Wouter Pieterse geschreven had, was hij wereldberoemd geweest.

– Maar hij hééft dat verhaal toch geschreven? Hoezo zou zijn andere werk dan die roem in de weg hebben gestaan?

– Nou, je hebt natuurlijk als beginnende Multatuli-lezer toch eerder het idee dat je met Max Havelaar moet beginnen. En dat is om een aantal redenen ontoegankelijker, bijvoorbeeld omdat er allerlei min of meer zakelijke informatie in het boek verwerkt zit over hoe het bestuur in Nederlands Indië precies in elkaar zat.

– Ja, dat is wat moeilijker te verteren dan fantasie. In die zin is het Wouter-verhaal natuurlijk wel meer een zelfstandig verhaal.

– Behalve dat het dus verweven zit in de Ideën, waar je dan weer allerlei informatie krijgt voorgeschoteld over het kiesstelsel in de 19e eeuw.

– Toch kun je het verhaal daaruit wel losweken. Dat is in het verleden ook wel gebeurd: aparte uitgaven van de roman Woutertje Pieterse.

– Nou, ik vind dat toch geen idee, hoor. Het punt bij Multatuli is toch wel dat hij met verhalen ook altijd de lezer ergens van wil overtuigen.

– Er zijn dan ook allerlei verbanden met de Ideën die eraan vooraf gaan en die erdoor heen staan.

– Over de godsdienst, bijvoorbeeld.

– Ja, bijvoorbeeld. Multatuli is toch wel echt een atheïstisch schrijver, en wel een met een enorme obsessie voor het geloof:

Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar niet voor ’t zogenaamd Christendom. Er zyn door Jezus dingen gezegd, die ‘k geloof – schoon ik ze niet geloof omdat hy ’t zeide – maar in ’t Christendom zelf geloof ik niet. Ik ontken ’t bestaan van dat Christendom. Ik heb ’t nooit ontmoet, nooit waargenomen, en ben overtuigd dat Jezus, op aarde terugkomende, heel verwonderd wezen zou te horen dat men zich naar hem noemde.
Ik heb een neefje die spelfouten maakt, en zich daarom Multatulist noemt. Wat zou m’n aanhang groot wezen, als dat opging.

– Toch weer even de taal, en de spelling erbij halen, he! Een constante in zijn werk. Geen Nederlandse schrijver was zo geobsedeerd door spelling.

– Terwijl hij zich tegelijkertijd smalend uitlaat over ‘schoolmeesters, die taal, geest, genie, ondergeschikt achten aan spelling’.

– Ja, Multatuli heeft het vak van leraar Nederlands wel voor altijd veranderd. Je moet sinds zijn tijd eigenlijk doceren dat een van de grootste schrijvers zich tegen een bepaald soort schoolmeesterij keerde. Dat is toch wel charmant.

– Nog even over die godsdienst. Je zou denken dat je in die tijd alleen maar zwaar christelijk kon zijn en dat je als atheïst een pariah was.

– Nu ja, Multatuli had daar mogelijkerwijs maling aan. Hij gaat in de passage die jij net citeerde ongegeneerd tekeer tegen het christendom.

– En nooit tegen de islam, moeten we in onze huidige tijd zeggen. Terwijl hij dat toch in Nederlands Indië van nabij had leren kennen. Wat een lafaard! zouden sommige moderne lezers zeggen.

– Als ze Multatuli zouden lezen.

– Dat hij die islam niet zo serieus nam, was dat niet ook een vorm van racisme? Hem interesseerde alleen de onzin die de witte mensen geloofden?

– Wie zal het zeggen. In Wouter Pieterse valt natuurlijk toch wel het autobiografische op. Wouter is minder Eduard Douwes Dekker dan Max Havelaar was – de structuur van het gezin klopt al niet, met alleen een moeder, maar Wouter droomt wel van Fancy, die we ook in het vlak daarvoor verschenen Minnebrieven waren tegengekomen.

– Waarin Max brieven aan haar schreef. Max en Wouter waren dus wel degelijk één.

– Maar, jongens, het wordt me nu toch allemaal wat te analytisch. Wat een heerlijk boek zijn deze Ideën toch, met of zonder dat verhaal van Woutertje Pieterse.

– Ja, en dat verhaal en de meer beschouwende Ideën zijn toch wel een eenheid.

– Dat bedoel ik. Door Wouter begrijp je Multatuli ineens veel beter. Een groot deel van zijn strijd is een strijd tegen burgerlijkheid. Het systeem waarin Woutertje opgroeit, met dat verstikkende, hypocriete christendom, de avondjes op tweehoog achter, waarin iedereen elkaar voortdurend sociaal zit te taxeren.

– Wouter ontsnapt daaraan door over het meisje Fancy te fantaseren, zoals Max dat deed in de Minnebrieven. Alleen was Max een volwassen schaduwbeeld van Douwes Dekker zelf. Wouter is moeilijker te plaatsen: hij lijkt bijvoorbeeld eerder aan het eind van de 18e eeuw geboren te zijn.

– Ja, jullie vonden het eerder zo schandelijk dat Douwes Dekker het aanlegde met zijn nichtje, maar hier begin je er toch meer van te begrijpen? Zijn leven was één poging om niet bekrompen te zijn. Dat was mens zijn voor hem: vrij zijn.

– Uit dit boek blijkt toch wel dat Multatuli niet alleen een groot psychologische inzicht had – in ieder geval als hij over andere mensen schreef –, maar vooral een groot sociologisch inzicht:

Want Wouters moeder heette ‘juffrouw’, om de schoenmakery. De jongejuffrouwen waren z’n zusters, die dansen geleerd hadden. En z’n broer was ‘m’nheer’, sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan de stads-tussenschool. Hy had toen verlengstukken aan z’n buis gekregen, om ontzag in te boezemen aan de schooljeugd, en ‘Stoffel’ paste toen niet langer, meende Wouters moeder. Maar dezen noemde Leentje eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar ’n kleine jongen was. Ook was hy haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zesentwintig duiten, die hy ‘r nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was óók dood.

– Die laatste woorden laten trouwens zien dat Multatuli niet alleen een meester was van de grappige tussenzin, maar ook van de tussenzin die je hart breekt.

– Ja, dat is ook echt wel een talent dat hij in Woutertje Pieterse uitleeft. Voortdurend wordt er tussen neus en lippen nog iets gezegd waarover je bij wijze van spreken nog een roman zou kunnen schrijven:

Ze hield ’t ganse gezin ‘heel’ en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en ’n lakensen pet te maken uit ’n duffelse jas, en toch schoten er nog lappen over voor de sous-pieds die Stoffel nodig had voor z’n examen als secondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door ’n fout in Euclides.

– Maar ben ik nu vreselijk simpel als ik dit verhaal toch vooral ook lees als een boek over een jongetje? Was er vóór Multatuli ooit een schrijver die zo in de geest van een kind kon kijken?

Ook verveelde hem z’n broer Stoffel, en zyn zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee en alles. En hy begreep niet waarom de hele familie niet naar Italië ging, om daar ’n behoorlyke rovery op te zetten.

– Nou, niet overdrijven, he. Hieronymus van Alphen was al 17 jaar dood toen Multatuli geboren werd. Die kon toch ook wel vanuit een kinderlijk perspectief schrijven.

– Maar je hebt wel, gelijk. Woutertje Pieterse is heerlijk. Een verhaal over een jongen “met ’n stadskleurig gezichtje” die zo van de pagina’s komt stappen, verpakt in een satire die nog steeds grappig is, en met tal van ontroerende momenten.

– Die satire is soms bovendien nog behoorlijk actueel, bijvoorbeeld waar hij de neiging bekritiseert om, vooral in het onderwijs, steeds andere namen te verzinnen voor wat toch altijd hetzelfde blijft:

Hoe dit zy, de man heette meester, z’n school was ‘n school, en geen instituut, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik vind het ’n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen dan ze werkelyk heten.

– Jongens, ik ben helemaal enthousiast!

– Mooi, ik wilde voorstellen om volgende week het proefschrift van Saskia Pieterse te lezen: De buik van de lezer. Over spreken en schrijven in Multatuli’s Ideeën, uit 2008.

– Is dat familie van?

– Doe niet zo flauw. Ik heb veel goeds gehoord over dat proefschrift. Ja, laten we dat inderdaad volgende week gaan lezen! De literatuurwetenschap die we tot nu toe hebben gelezen was toch allemaal een beetje, laten we zeggen, ouderwets.